
Beste Vrind,
Ik, Rutger van Leefdael,
werd geboren in 1270 als zoon van Lodewijk de tweede van Leefdael
en Aleid van Herpen. Ik werd vernoemd naor mijn grootvader Rutger
van Kuyc. Op 13 jarige leeftijd in 1283 komt mijn vader te
overlijden. Hierbij erft mijn broer Arnold het land van Leefdael.
daormee mag hij zich noemen; Arnold heer van Leefdeal. Wanneer in
1296 ook mijn moeder komt te overlijden mag en kan ik me uit hoofde
van mijn voorouderlijk erfdeel Heer van Herpen noemen.
Ik Rutger van Leefdael,
heer van Herpen, ik ben heerser over een gebied dat reikt langs de
maas. Kuyc, Ravenstein, Herpen, Zeeland, Uden en Volkèl
behoren tot de heerlijkheid Herpen. Daoraon grenzend richting het
oosten ligt het land van Bocs Mere. Jan Boc van Mere was hier
heerser. Maar ook aon deze kant van de Maas behoorde een nauwelijks
ontgonnen gebied tot het land van Bocs Mere. De bewoners van een
dorpje ten zuiden van Volkèl vernoemden het dorp zelfs naar
hem. Bokloo werd het genoemd.
Bokloo is van
strategisch belang voor de handel met de rijke heerlijkheid van
Gemert. In 1312 probeerde ik te onderhandelen met Jan Boc van Mere
over dit gebied, maar hij leek Bokloo niet te willen afdragen. Zo
verzon ik een list. Ik stuurde hem dreigbrieven uit naam van
bewoners van Bokloo. In de dreigbrieven gaf ik aon dat Jan Boc van
Mere te veel liquide middelen vroeg voor de pacht van de gronden.
Zoals een echte heer het befaamd, deden de bedreigingen hem niets.
Toen later dat jaar de vrouw van Jan Boc van Mere werd begraven in
de bossen nabij Bokloo, besloot ik de bedreigingen kracht bij te
zetten. Na mijn aonwezigheid bij de begrafenis verbleef ik die
nacht in de herberg in Bokloo. In het holst van de nacht pak ik een
spade, en een olielantaarn. Muisstil sluip ik in de duisternis naar
het graf. Het is koud buiten. Het vriest licht. Onderweg er naar
toe zie ik niemand. Bij het graf aongekomen, steek ik de spade in
de grond. Gelukkig; de grond is nog niet hard bevroren. Na enige
tijd graven heb ik eindelijk de lijkkist blootliggen. Na wat
wrikken komen de nagels van het deksel los. Ik open de kist. daor
ligt ze, de vrouw van Jan Boc van Mere. Haar gezicht is grauw
geworden. Ik ruk de gouden ketting van haar stijf geworden nek,
haar ringen van haar kille handen. Ik laat de lijkkist open en laat
een briefje achter op het ontzielde lichaam: “Ik neem dit
mee ter compensatie van de te hoge pacht die ik moet afdragen.
Gegroet, een woedende bewoner van Bokloo.”
Als ik terug wil keren
en me om draai, zie ik plots iets, iets bovennatuurlijks... Uit het
loo verschijnt een onbekende vrouw. Ze lijkt te zweven in haar
lange witte gewaad. Ik blijf verstijfd staon. De olielantaarn laat
ik van schrik op de grond vallen en dooft direct. In het licht van
de maan, zie ik aon de waterdamp wolkjes welke ik uitblaos, dat
mijn ademhaling flink versnelt. De dame komt dichterbij en spreekt
tot mij: “Gij, Rutger van Leefdael, heer van Herpen, gij
ontheiligd hier dit graf. Zo kom tot inkeer, en roep niet de toorn
des Heren over u af..." Maar ik, ik overwin mijn angst, hoon
haar weg met schampere lach en stoot haar ruw terug. Ik zie hoe ze
daorna oplost in het niets. Vlug ga ik terug naar de herberg.
Verder niemand heeft iets gemerkt van mijn afwezigheid die
nacht.
Twee dagen later komt
Jan Boc van Mere mij opzoeken in mijn kasteel in Herpen. Zonder in
details te treden wil hij Bokloo aon mij verkopen. De
onderhandelingen zijn snel afgerond. Ik krijg Bokloo voor een enorm
lage prijs.
Ik ben rijker en
machtigher dan ooit tevoren. Voor de buitenwereld lijk ik geluckig
te zijn met mijn vrouw Agnes van Kleef, mijn dochter Catharina en
al mijn rijkdommen. Maar toch... Toch is er iets. Die vrouw in het
wit op die bewuste nacht... Ik droom er vaak over. Dat zijn dan
geen fijne dromen. Ik heb spijt van mijn daden. Daorom verkoop ik
in februari 1313 grote stukken ontgonnen grond; een gemeynt aon de
bewoners van Bokloo en Volkèl. Mensen zien mij als
grondlegger van het huidige Boeckel, maar ik weet helaas wel
beter.
Op 29 januari 1333 kom
ik te overlijden. Hoe kan het dan zijn dat ik dit hier zelf
opschrijf? Er gebeurt iets onverklaarbaar. Er is geen gene zijde
waar ik naar toe ga. Ik ga niet naar de eeuwige jachtvelden. Ik ben
buiten mijn lichaam getreden en kijk toe bij mijn eigen begrafenis.
Mensen zien me niet staon. Ik besta niet meer voor hun, maar ik ben
er wel. Na mijn begrafenis verschijnt ze weer in het loo. De vrouw
in het wit. Ze is in al die jaren niets verandert. Ze spreekt
wederom tot mij. “Nergens in uw eigen heerlijkheid, noch
waar ook ter wereld, zult gij rust of vrede vinden, daar gij een
graf geschonden hebt... eerst dan, wanneer een edel mens met het
reine geweten van een pasgeboren kind, in uw voetsporen zal treden,
dan zult gij vrede vinden, in uw heerlijkheid en in uw
hart...”
Die vloek, mijn
gruwelijk lot, is tot op heden niet gebroken. Ik dwaal inmiddels
eeuwen rond hier in het loo. Ik wil niets liever dan dat alles
ophoud. Dat ik eindelijk bij mijn vrouw en dochter kan zijn. Kom
alstublieft, voor mij, met een reine ziel naar het bos, zodat mijn
ziel eindelijk de rust verkrijgt, waar ik zo hevig naar
verlang...
Bovenstaonde
coördinaten zijn van het huys der gemeynt. Dit is niet het
begin van uwer tocht. Om de vloek te doen verbreken zult gij met
een rein geweten in mijn voetsporen moeten treden. Door in het
holst van de nacht de bossen nabij Bokloo te doorkruisen. Ben
voorbereid op een mentaal zware tocht die tenminste 3 uren of
mogelijk de hele nacht zal duren.
Als voorbereiding moet
gij een codewiel maken. Dit codewiel is toegevoegd op deze site.
Ontcijfer hiermee het volgende woord:
3XC53ICP
Hoe het codewiel moet
staan, dient gij zelf uit te zoeken. Voor het gehele woord heeft
het codewiel dezelfde positie.
Stuur me het woord wat
we zoeken en stuur me de datum wanneer gij deze tocht wilt lopen.
Geef hierbij ook aan met hoeveel personen u komt.
Gegroet,
Rutger van Leefdael, heer van Herpen

