Skip to content

Delfzijl e.o. 3.07 - Hondshalstermaar EarthCache

This cache has been locked, but it is available for viewing.
Hidden : 4/16/2011
Difficulty:
2 out of 5
Terrain:
2 out of 5

Size: Size:   not chosen (not chosen)

Join now to view geocache location details. It's free!

Watch

How Geocaching Works

Please note Use of geocaching.com services is subject to the terms and conditions in our disclaimer.

Geocache Description:


Datum laatste wijziging: 20110528 Datum laatste cachecontrole: 20110806


Deze cache maakt deel uit van het rondje Delfzijl e.o. 3. Een fietsronde van ruim 30 km.
Hoofdlijn vormt het oude NOLS-spoorlijntje van Delfzijl naar Wagenborgen.

Let op! Alle caches zijn per fiets of lopend te bereiken, maar niet altijd met de auto! Houd je s.v.p aan de verkeersregels, parkeer niet op prive-terrein en doe de caches alleen bij daglicht. Neem een pen mee en vergeet niet de bonusaanwijzingen te noteren.

Specifieke cache info:

Dit is de zevende cache van de fietstocht, een Earthcache.


Getijdenlandschap
Het kustgebied van voor de bedijking was een getijdenlandschap van begroeide kwelders met kreken en prielen. De zee drong soms diep in het land door en overspoelde alles, maar bracht vooral ook nieuw land. Langs de oevers en mondingen van de rivieren Hunze, Fivel en Eems vormden zich kwelder- en oeverwallen waarop zich zes eeuwen voor het begin van de jaarteling de eerste bewoners vestigden .

Omdat de zeespiegel bleef stijgen werden ze gedwongen hun woonplekken te verhogen. De oudste verhogingen (wierden) liggen dan ook in rijen op kwelder- en oeverwallen langs de Hunze, Fivel en Eems. Het water stroomde door de kwelderkreken (de latere maren) en liet met elke eb en vloed nieuwe klei achter. Vroegere zeeboezems slibden dicht en bewoners brachten het land in cultuur. Tijden van snellere zeespiegelstijging en rustiger perioden wisselden elkaar af. Soms brak de zee door de kwelderwallen en overstroomde het de kweldervlaktes. Ver van de grote geulen werd in een brakwatermilieu fijne zware klei afgezet. Deze zware zure klei (knikklei) is niet geschikt voor akkerbouw waardoor het enkel als grasland werd gebruikt. Wel bleek de zware klei zich goed te lenen voor het bakken van stenen waardoor vele percelen ‘afgeticheld’ zijn voor de baksteenindustrie.

Geschiedenis in het kort
Enkele eeuwen voor de jaartelling lag de kustlijn verder landinwaarts. Op de hogere kwelder- en oeverwallen lagen enkele wierden met de eerste woningen. De maar, met een brede opening naar de zee (de boezem), voerde bij elke eb en vloed het water af en aan. Verder landinwaarts lag veen en groeiden moerasbossen. In het eerste millennium overspoelde de zee soms grote delen van het oude land. In het laaggelegen gebied achter de kwelderwal werd een laag zware knikklei afgezet. Aan de kustlijn groeiden de kwelders aan met een nieuwe parallelle kwelderwal. De zeeboezem verlandde en de monding van de maar verplaatste zich in (noord)oostelijke richting.

Vanaf de dertiende eeuw groeiden de kwelders langs de kust verder aan met lichte, zavelige klei en werden de eerste zeedijken aangelegd. Door het hoger opslibben van de kust werd de afwatering vanuit het lager gelegen binnenland steeds moeilijker. De afwateringsrichting van de maren werd omgekeerd; men groef nieuwe verbindingen om het water op zee te lozen.

Vanaf de zeventiende eeuw groeide de behoefte aan transport. Waar mogelijk werden maren verbreed en verdiept en kregen de dorpen een haven met loskade. Voor een goede verbinding werd de trekvaart gegraven inclusief aangrenzend jaagpad. Jonge buitendijkse gronden werden ingedijkt waardoor de maren de afwateringsfunctie verloren. Voor de baksteenindustrie werden in het knikkleigebied bovendien vele percelen afgeticheld en de klei werd dan per schip naar de steenfabrieken vervoerd.

Maren
Het ‘natuurlijke karakter’ verschilt van maar tot maar en van plek tot plek, afhankelijk van de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling in de loop van de tijd. Het maakt bovendien verschil of een maar door het lage knikkleigebied loopt of een hoge kwelderrug doorsnijdt. Het landschap van een verlande zeeboezem is anders dan dat van de later ingedijkte polders, er is variatie in hoogte van de oevers en reliëf in het landschap. Van invloed is ook of aangrenzende gronden als weide of akker worden gebruikt en of er wierden in de nabijheid liggen.

Groninger maren
In Groningen zijn de meeste watergangen die ‘maar’ worden genoemd van oorsprong natuurlijke kwelderkreken, al kennen vele maren een gegraven verlenging of aftakking naar een haventje van een wierde. De aanduiding ‘maar’ wil dus niet altijd zeggen dat het een van oorsprong natuurlijke watergang is. Andersom zijn er veel van oorsprong natuurlijke watergangen die geen ‘maar’ (meer) heten. De aanduiding ‘tocht’ komt van tijgen (trekken) en duidt op een afwateringssloot. Deze is doorgaans na bedijking gegraven als werd ook hier geregeld gebruik gemaakt van een natuurlijke kreek. Namen met ‘rijt’ of ‘riet’ duiden dan weer op een watergang waar eb en vloed ten tijde van de naamgeving nog vrij spel hadden. Ze lagen dan ook meestal buitendijks. Watergangen met de benaming ‘diep’ ten slotte zijn de grotere watergangen, doorgaans gegraven voor de scheepvaart en ook hierbij werd vaak gebruik gemaakt van (delen van) natuurlijke waterlopen. Door veranderingen in de loop van de tijd is er geen scherpe grens meer te trekken tussen natuurlijk en gegraven maren.

Marensysteem
De ontstaansgeschiedenis heeft ertoe geleid dat de maar verschillende landschappen doorkruist. Het lagere knikkleigebied is voornamelijk weidegebied; de waterstand is relatief hoog. Langs de maar zijn percelen afgeticheld voor de baksteenindustrie. Het gebied is stil en weinig ontsloten, er broeden veel weidevogels en het landschap is open met enkele verspreide boerderijen en (onbebouwde) wierden. Op de oude kwelderwal is het landschap meer verdicht, zowel met bebouwing als beplanting. Waar de maar langs de kwelderwal loopt zijn de hoogteverschillen (soms) groot. Op de lichte, zavelige grond van de jonge kwelderwallen vindt voornamelijk akkerbouw plaats en alleen de laagtes langs de maren met de zware klei zijn vaak in gebruik als grasland. De maar ligt soms in de laagte van een kweldervlakte, soms in een oerbedding met steile kanten langs een kwelderwal. Het landschap van de verlande zeeboezem is open en er is minder reliëf waardoor de maar breed door het open landschap slingert. In de jonge bedijkte polders liggen de boerderijen strak langs de dijk in een rechtlijnig landschap met opstrekkende verkaveling. Enkele meanderende oude kreken getuigen nog van de tijd voor de bedijking en inpoldering. Wanneer je het marensysteem vanuit het binnenland naar de kust volgt kun je deze onderscheiden naar type.

Tichelmaar’, een maar in het knikklei- en weidelandschap. De ‘Tichelmaar’ loopt door het open weidelandschap van het knikkleigebied. De maar is in het verleden verbreed tot een vaarwater en het water staat hoog ten opzichte van het maaiveld. Langs de maar zijn percelen afgeticheld voor de steenfabricage. De loop van de maar is zichtbaar gemaakt door brede rietkragen die bij sommige laagtes verbreed zijn tot stroken rietland. Deze laagtes kunnen bij veel neerslag tijdelijk extra water vasthouden.

Lagemaar’, een kleinere maar in het knikklei- en weidegebied. Deze vertakking kronkelt door het lage weidelandschap van het knikkleigebied. De maar is smal en in het verleden niet vergraven tot een vaarwater. Het gebied is niet ontsloten en tegenwoordig belangrijk als weidevogelgebied door de natuurlijke laagtes die zijn verworden tot brede rietoevers.

Trekvaart’, een grotendeels gegraven maar of diep. De ‘Trekvaart’ is in de zeventiende eeuw gegraven als vaarverbinding. Hoewel bij de aanleg gebruik is gemaakt van een natuurlijke kreek is het geen natuurlijke watergang. De vaart is breed, de oevers waar (al dan niet met jaagpad) zijn enigszins opgehoogd.

Wierstermaar (1)’, een maar langs een oude kwelderwal met een wierdedorp. Zoals vaak het geval is neemt de maar hier de naam aan van het dorp waar hij langs loopt. De oever van de maar is aan de kant van de kwelderwal hoog en steil. De andere oever (aan de kant van de verlande vroegere zeeboezem) is lager en het landschap is er open. Beplanting met meidoorn of enkele bomen accentueert het verschil tussen de kwelderwal en de openheid van de verlande zeeboezem.

Loopmaar’, een maar in het open landschap van een vroegere zee-inham. Deze maar loopt door een vroegere inham van de zee. Deze verlande zeeboezem is vlakker en ligt duidelijk lager dan de kwelderwallen. Op de lichte kleigrond wordt vooral akkerbouw bedreven maar er is ook grasland. Het ‘Loopmaar’ meandert door een weids landschap. De oeverwal van de voormalige zeeboezem tekent zich op afstand duidelijk af door het hoogteverschil en de verdichtingen met bomen en boerderijen op huiswierden. In de ruilverkavelingen van de twintigste eeuw is de maar veelal veranderd in een afwateringsloot waar het agrarisch gebruik doorgaans tot de uiterste rand doorloopt. Alleen aan het kromme verloop en kleine hoogteverschillen is de natuurlijke oorsprong nog te zien.

Wierstermaar (2)’, een maar in een reliëfrijk landschap van jonge kwelderwallen. In het jongere land van de kust doorsnijdt de maar kwelderwallen en de bredere laagte hiertussen. Het agrarische land is hoofdzakelijk in gebruik voor akkerbouw en het waterpeil ligt veel lager ten opzichte van het maaiveld dan in knikkleigebieden. Waar de maar de kwelderwal aansnijdt zijn de oevers hoog en steil al is er soms nog een bredere oerbedding aanwezig.

Stillemaar’, een maar tussen kwelder- en oeverwallen met een brede oerbedding. Het is een restant van een voormalige buitendijkse kreek die later door de hoger opgeslibde oever is verzand en ligt in een laagte tussen kwelderwallen. Nog goed zichtbaar is de brede oerbedding uit de tijd dat het nog een grotere waterloop was. Op een aantal plaatsen heeft deze bedding een parallelsloot, met tussen sloot en maar een laaggelegen perceel al zijn deze mettertijd vaak opgehoogd met grond dat uit de uitgediepte en verbrede maar werd opgediept.

Oude Riet’, een oud kreekrestant zonder belangrijke functie voor de waterhuishouding. Het was eens de buitendijkse uitmonding van de maar op het wad maar heeft door het hoog opslibben van de kwelders (en de laatste bedijking) deze functie verloren. In de loop van de tijd was deze oude kreek bijna opgevuld en vormt nu nog slechts een kavelgrens.

Groote Riet’, een maar in de jongste bedijkte polders. De noordoostelijke uitloop van deze maar was nog lang in gebruik voor de afwatering op het wad. Ook was ze belangrijk voor het transport van landbouwproducten. De benaming ‘riet’ stamt uit de tijd dat de kreek door de hoog opgeslibde onbedijkte kwelder stroomde. Onder invloed van eb en vloed zijn de oevers in bochten soms hoog en steil en dan weer lager en afgevlakt.

Opdracht en vragen
1. Wanneer je op de brug staat en het verloop van de Hondhalstermaar volgt (pal langs de westelijke oever van het Hondhalstermeer), welk type maar herken je hierin? Geef hierbij duidelijk aan op welke kenmerken je jouw keuze baseert!;
2. Welke vogelsoorten staan er met jongen op het informatiebord?;
3. Er zit één vogel op een tak, terwijl er twee soortgenoten vliegen – welke vogelsoort betreft dit?
Stuur de antwoorden van de bovenstaande drie vragen per PM naar de plaatser(s). Verder wordt het door ons zeer op prijs gesteld wanneer één of meerdere foto’s (geen spoilers) bij het log worden geplaatst.

Additional Hints (No hints available.)