
Bovenstaand
cördinaat is geen parkeercoördinaat!
Een kort
verhaal.
Op een van
de tochten met mijn vader, die in de boerenbuurten zijn waren aan
de man bracht, maakte ik soms wel eens wat mee. Altijd door weer en
wind trokken we door de Lopikerwaard over tiendwegen en kaaien.
Vooral in het najaar was dit niet echt een leuke bezigheid. De kar
met koopwaar trokken we dan door de vol geregende karrensporen. Dag
in dag uit was het steeds hetzelfde. Bij onze klanten, de
boerenmensen konden we ons dan wat opwarmen om daarna opnieuw het
weer te trotseren.
Het was
november 1915. Een gure dag, het regende al dagen en er stond een
koude noordoosten wind. De route van vandaag was van Oudewater
richting Montfoort. Op de terugweg naar huis liepen we door de
polder Kort Heeswijk over een kaai, die we anders nooit liepen,
maar het zou misschien korter kunnen zijn. Met de regen en wind
half op de rug schoot het lekker op. Op deze kaai vond ik een oude
helm. Nieuwsgierig naar het voorwerp, dat er niet uitzag, dik onder
de klei en modder, verheugde ik me er al op om het thuis schoon te
maken. Mijn vader zei nog: ‘laat die zooi toch liggen’.
Maar nee, dit moest gewoon mee naar huis.
 |
Thuis is
de oude helm nog dagen blijven liggen. Toen ik eindelijk mijn
voorwerp eens beter kon bekijken, merkte ik al gauw dat dit toch
een bijzondere vondst was geweest.
|
Het type
helm kende ik niet. Bij het schoonmaken ontdekte ik aan de
binnenkant woorden, die ik snapte. Ik ben met mijn vondst
naar de pastoor in Oudewater gegaan, die vertelde mij dat in het
Latijn allerlei teksten waren ingekrast.
|
| De
getallen die er in stonden, waren in Romeinse cijfers geschreven.
De pastoor verzekerde mij dat het zeer waarschijnlijk een Romeinse
helm was. In Woerden was ooit een Romeinse nederzetting. De grens
was zo ongeveer de Rijn. Mijn fantasie over de Romeinse soldaat,
die de helm ooit droeg, slaat op hol. |
Op een dag
loopt Julius Gaius, zo heb ik mijn soldaat genoemd, met enkele
soldaten patrouille in de omgeving. Er is in de nederzetting een
bericht binnen gekomen dat de streekbewoners onder het Romeinse juk
wilden uitkomen. Opstandelingen moeten zo snel mogelijk aangepakt
worden. We gaan dit controleren en brengen daarna verslag uit aan
onze commandant. Eventueel nemen we een aantal personen mee naar
ons legerkamp.
In het
moerassig gebied dat veelvuldig onder water staat zoeken de
soldaten hun weg naar kleine terpen waar de boeren wonen. Ze lopen
door het hoge riet en wilgenbomen en plotseling worden de soldaten
van alle kanten overvallen door de streekbewoners, die hier de weg
veel beter kennen. Geen van de soldaten overleeft de aanval en ze
worden in het water gegooid en verdwijnen in het moeras.
Is het zo
gegaan? Of is de verliefde soldaat onderweg geweest naar het meisje
dat bij de nederzetting steeds producten van de streek kwam
brengen? En dat de ouders niet wilden dat hun dochter met deze
vreemdeling omging? En wat is er toen gebeurd?
Elke keer
als ik met de helm in mijn handen zit, bedenk ik een ander
verhaal.
S.H.
De nog leesbare Romeinse cijfers geven de plek aan waar geparkeerd
kan worden . . . CXLI en . . . CMXCIX. Vanaf het begin
van de kaai zoek je na zo’n 155 meter links een
aanwijzing.