Skip to content

Logger Traditional Cache

This cache has been archived.

GeoGuy: Je cache is door mij gearchiveerd in verband met het te lang op disabled staan.

Mocht de cache, of onderhoud van de cache, aan je aandacht ontsnapt zijn, en je de cache alsnog weer nieuw leven wilt inblazen, dan graag even een berichtje via email.
Als de cache binnen 3 maanden hersteld of herplaatst is, wil ik de cache wel terughalen uit het archief, mits deze aan de dan geldende voorwaarden voldoet.

Met vriendelijke groet,
GeoGuy
Geocaching.com Community Volunteer Reviewer

More
Hidden : 3/3/2012
Difficulty:
1 out of 5
Terrain:
2 out of 5

Size: Size:   small (small)

Join now to view geocache location details. It's free!

Watch

How Geocaching Works

Please note Use of geocaching.com services is subject to the terms and conditions in our disclaimer.

Geocache Description:

Op de volgende coordinaten kan je parkeren.

N52 16.979 E004 51.590

Bron: Wikipedia

De logger was een zeevissersvaartuig dat in 1866 voor het eerst in Nederland werd geïntroduceerd en daar in gebruik werd gesteld voor de vleetvisserij op haring. De man die het schip naar Nederland haalde, was de Scheveningse reder Adrien Eugène Maas.

Hij was van mening dat de, toen voor de zeevisserij gebruikte, plompe bomschuit een te traag zeilschip was. Ze was voor de plaatselijke vleetvisserij, die sterk in opkomst was, niet goed bruikbaar. Maas liet daarom in Boulogne sur Mer (Frankrijk) een ranker, en dus sneller, vissersvaartuig bouwen naar een Frans scheepsmodel dat daar lougre werd genoemd. In Nederland werd het geïntroduceerde vaartuig al spoedig aangeduid als logger. Het schip was expliciet bestemd voor de Noordzeevisserij op haring. Daarvoor waren speciale haringnetten in gebruik.

De nieuwgebouwde (zeil)logger betrof een driemaster die de naam "Scheveningen" en het registratienummer SN 1 kreeg. Op schepen ter visserij is de lettercode van de thuishaven en een volgnummer aangebracht, minder prominent dan de naam van het schip. De letteraanduiding SN voor Scheveningen zou later wijzigen in SCH. Aangezien Scheveningen - evenals alle andere Noordzeedorpen - nog geen haven telde, werd de nieuwe aanwinst in Vlaardingen gestationeerd.

Nog in hetzelfde jaar bestelde Maas twee nieuwe zeilloggers bij Vlaardingse scheepswerven. Deze schepen kregen de namen "Hollander" en "Arnoldine Marie" en liepen op 4 april 1867 van stapel.

De eerste logger had een masttuigage en emmerzeilen zoals die in Frankrijk veel werden gebruikt. Bij de Nederlandse vissers viel deze tuigage niet in de smaak. Al spoedig ging men over op het zogenaamde kottertuig: een voor- of fokkenmast en een bezaanmast, beide met gaffelzeilen. Er is geen scheepstype aan te wijzen waaraan in de loop van de jaren zoveel is veranderd.

In 1910 namen 501 zeilloggers deel aan de haringvangst. Scheveningen stond aan kop met 185 loggers. In 1920 telde men 493 zeilloggers en 29 motorloggers; in 1930 ging het om nog slechts twee zeilloggers en 229 motorloggers. In dat jaar voeren de laatste zeilloggers uit ter haringvangst.

De indeling van de logger was geheel afgestemd op de vleetvisserij: die betrof het vangen, verwerken en aanvoeren van pekelharing. Bovendien moest worden gerekend op een wekenlang verblijf van de bemanning op zee. De volgende ruimten en ruimen waren aanwezig op een logger: het verblijf voor de lagere bemanning, de droogruimte, de tier- of laadruimen voor de tonnen, de nettenruimen, het reepruim en het verblijf voor de schipper en de stuurman. Geheel voorin was het kabelgat: een ruimte voor de ankerketting. Het kabelgat, met de daaronder gelegen voorpiek, was versterkt met waterdichte schotten ofwel het aanvaringsschot.

Het verblijf van de lagere bemanning, ook wel het vooronder of voorin genoemd, was berekend op 10 á 11 mannen. Dit was exclusief de schipper en de stuurman; deze hadden hun verblijf in het zogeheten achterin. In het vooronder werd eveneens gekookt; er was geen sprake van een apart kombuis. Nadat men was overgegaan van de zeillogger op de motorlogger, voegde zich een motordrijver of monteur bij de bemanning. Deze verbleef echter bij de schipper en de stuurman achterin.

In de laadruimen werden op de heenreis de lege, alsook de met zout gevulde tonnen opgeslagen. Op de terugreis was het zout geheel of goeddeels verbruikt (verzouten); per vier tonnen of kantjes haring was standaard één ton of vat zout gebruikt. Alle aan boord zijnde tonnen waren nu gevuld met de gekaakte en gezouten haring en daarna opgeslagen in de laadruimen. De droogruimte was bedoeld voor de opslag van proviand.

Er bestond een klein verschil in aantallen bemanningsleden waar het om de verschillende vissersplaatsen gaat. Het eerdergenoemde aantal van 10 bemanningsleden, exclusief de schipper en de stuurman, kan voor wat betreft Scheveningen en Katwijk als gangbaar worden aangemerkt. De opdeling en de rangen waren als volgt:

1 schipper
1 stuurman
6 matrozen
1 oudste
1 jongste
1 reepschieter
1 afhouder

De schipper en de stuurman waren goeddeels meewerkende leidinggevenden. De matrozen waren volwaardige haringvissers; een oudste kon worden beschouwd als een lichtmatroos, een jongste, een reepschieter en een afhouder als in rang opklimmende leerjongens. De laatstgenoemden hadden aan boord vastomschreven taken. Bij Vlaardingen telde men één oudste meer dan bij de kustdorpen. Voor het overige geldt dat in alle gevallen de bemanning werd uitgebreid met een motordrijver of monteur nadat men was overgeschakeld van de zeillogger op de motorlogger. Die wisseling had plaats tussen de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw.

Additional Hints (No hints available.)