Gentse Burgemeester reeks
Bij deze reeks zal je de Gentbrugse meersen doorkruisen.
De Gentbrugse meersen is een 270 ha groot open gebied in de deelgemeente Gentbrugge dat ten zuidoostelijk ligt van Gent, gelegen tussen de bebouwde zones van Gentbrugge en de scheldebocht.
Samen met de Damvallei te Destelbergen vormen zij een grote groene vlek van 650 ha bij Gent.
Het is nu nog voornamelijk een landbouwgebied met natte weiden, graslanden en akkers.
Door de lage ligging staan een groot deel van het jaar verschillende weiden onder water wat uiteraard interessant is voor de watervogels en steltlopers.
Het gebied wordt in de volgende jaren door de stad Gent ingericht als groenpool: een recreatie- en natuurontwikkelingsgebied. Helaas worden de meersen van west naar oost door de autosnelweg E17 doorsneden.
Hou er rekening mee dat de afstand van de volledige reeks 13km bedraagt.
Alle caches kunnen apart gelopen worden. Voor de 2 bonussen heb je de gegevens nodig uit de 18 Traditionals. Bij de multi’s moet je niks noteren.
Deze reeks kan zowel gefietst als gewandeld worden, maar hou er gewoon rekening mee dat op sommige stukken een mountainbike handiger is.
Maar niks dat kan opgelost worden door een tijdje de fiets aan de hand te nemen.
Ook bij regenweer zullen sommige stukken drassig liggen.
Op een paar punten komt de route in aanraking met een iets drukkere weg, let hier op met kinderen.
Benodigdheden: gewoon wat er zich al bevind in onze cacheuitrusting, gps...spiegeltje...een goed paar ogen...
Traditionals:Historiek
De Burgemeesters van Gent
Sedert de onafhankelijkheid van Belgie kende Gent 18 verschillende burgemeesters.
Sommige werden zelfs een tweede keer verkozen tot Gents burgervader.
Met deze traditionals zal u ze allemaal leren kennen.
Noteer hier zeker alle gegevens welke je vindt in de verschillende stashes om Bonuscache 1 & 2 te vinden.
GGG-08-Gentse Burgemeesters
Alfred VANDERSTEGEN
Burgemeester van 1921-1941

Alfred Vanderstegen werd geboren op 26 januari 1869 als zoon van Rosa De Cavel en Henricus Vanderstegen, een Gents industrieel. Hij volgde middelbaar onderwijs aan het Koninklijk Atheneum waar hij samen met onder meer Henri Boddaert, Gustave Abel en Oscar Van Hauwaert opgroeide. Net als zijn vader ging hij vervolgens naar de Gentse universiteit waar hij terechtkwam in de Bijzondere School voor Burgerlijke Bouwkunde en er het diploma van burgerlijk ingenieur bruggen en wegen behaalde.
Uit diezelfde periode dateert zijn eerste politiek engagement. De jaren 1890 waren voor de liberalen immers een periode van grote verandering. De discussies over de invoering van het algemeen stemrecht laaiden hoog op en de tijdsgeest eiste een reeks sociale maatregelen. Een wissel aan de top van de partij drong zich dan ook op. In 1892 trad Adolphe Dubois af als voorzitter van het middencomiteit van de Gentse Liberale Associatie en nam de meer progressieve oud-burgemeester Hippolyte Lippens, gesteund door een nieuwe generatie liberalen, het bestuur over. De nood aan vernieuwing was ook de aanleiding tot de oprichting in 1891 van de Cercle d’Etudes Sociales des Etudiants Libéraux en vervolgens van de Société Libérale pour l’Etude des Sciences et des Oeuvres Sociales. Deze studiekringen organiseerden met de steun van Lippens lezingen en debatten rond de meest uiteenlopende sociale, politieke en economische vraagstukken en schaarden zich actief achter het progressieve streven naar hervormingen en meer sociale rechtvaardigheid. Vanderstegen behoorde tot de stichtende leden en kwam er in het gezelschap terecht van Louis Varlez, Emile Waxweiler, Albert Mechelynck, Henri Boddaert, Remi De Ridder, Albert Story, Henri Pirenne, Adolphe Hoste en vele anderen die in de eerste decennia van de twintigste eeuw de kern van het Gentse liberalisme zouden vormen. Ook van thuis uit werd deze invloed ongetwijfeld bevorderd. Zijn vader was in die periode gemeenteraadslid en een aanhanger van de ideeën van Gustave Callier en François Laurent, die de volksontwikkeling als de belangrijkste stap naar maatschappelijke emancipatie hadden gepropageerd. Vader Vanderstegen bleef tot zijn overlijden in 1900 een trouw mecenas van de Société Callier, die voor de financiële ondersteuning van de liberale volksontwikkeling instond. Ook zijn zoon zou later de Société Callier financieel steunen.
Het politiek engagement van Alfred Vanderstegen ging in die jaren echter niet veel verder. Na zijn huwelijk met Nelly Lhoest, had hij zich immers vol overtuiging op zijn beroepsloopbaan gegooid. Hij ging als ingenieur aan de slag bij de Werkhuizen Van de Kerchove aan de Coupure en klom op korte tijd op tot afgevaardigd beheerder en voorzitter van de raad van beheer. Tot zijn overlijden zou hij in heel hoog aanzien blijven staan als beheerder en industrieel. Hij werd onder meer lid van de raad van beheer van de Linière des Flandres en van de NMBS en nam in 1934 het voorzitterschap van de raad van beheer op zich van het nieuwe bedrijf dat ontstond uit de fusie van de Société d’Electricité et de Mécanique (het vroegere Carels) en de Werkhuizen Van de Kerchove. Hij was eveneens een belangrijk figuur binnen diverse werkgeversverenigingen en overlegorganen.
Zijn inzet voor de Gentse liberalen mocht in die eerste tien jaar van zijn loopbaan op een laag pitje hebben gestaan, waar mogelijk en gewenst bleef hij uiteraard actief bezig. Naast bestuurslid van de Liberale Associatie werd hij bijvoorbeeld ook lid van de prestigieuze en invloedrijke Koophandels- en Nijverheidskring, waar hij voorzitter werd van de afdeling machineconstructie. Deze Kring, opgericht in 1857, bracht alle liberale topfiguren uit de Gentse industriële en financiële wereld samen en functioneerde als een partijgebonden variant van de Kamer van Koophandel. Gespreid over vijftien sectorgebonden werkgroepen werd aan de ondernemers een forum aangeboden waarop economische en sociale problemen werden besproken en oplossingen werden gecoördineerd. In 1920 smolt deze vereniging samen met de Kamer van Koophandel zelf.
De druk vanuit de partij om een mandaat op te nemen werd echter steeds groter. In 1903 kwam hij voor het eerst op bij de gemeenteraadsverkiezingen, werd verkozen als tweede opvolger en verving in december 1907 het gemeenteraadslid Junius Massau. De invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht in 1895 had intussen voor een omwenteling in de gemeenteraad gezorgd. Na de verkiezingen van 1903 stond een sterke socialistische fractie met veertien zetels in de oppositie tegenover een liberale bestuursploeg met dertien zetels die gedoogd werd door de twaalf katholieke verkozenen. Dit wankele bestuursevenwicht struikelde in 1909 over een onderwijskwestie (de schoolsoepbedeling) en tot 1911 werd de stad bestuurd door een rooms-rode coalitie met Siffer als dienstdoend burgemeester. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1911 werden de liberalen opnieuw de grootste fractie en gingen in zee met de socialisten in een antiklerikaal geïnspireerde coalitie. Dit alles had niet zo’n invloed op het werk van Vanderstegen. Zijn expertise als ondernemer plaatste hem in een positie van technisch adviseur voor de vele commissies en instellingen op het vlak van economisch en financieel beleid die de stad rijk was. In jaren waarin de politieke passies dikwijls oplaaiden, vervulde hij de hoog gewaardeerde rol van een rationeel bestuurder met oog voor compromissen en praktische oplossingen.
Over zijn activiteiten tijdens de Eerste Wereldoorlog is weinig bekend. Ongetwijfeld bleef hij betrokken bij het stadsbestuur en had hij de handen vol met zijn bedrijf. Een anekdote uit het eerste oorlogsjaar bleef gelukkig wel bewaard dankzij het oorlogsdagboek van de liberale schepen Marc Baertsoen. In november 1914 doken boven de Gentse voorhaven Engelse vliegtuigen op die het duidelijk hadden gemunt op de Duitse oliedepots. De Gentse garnizoenscommandant nam vervolgens op 3 december de ietwat vreemde beslissing om twintig notabelen op te pakken als gijzelaar om dit Engelse gevaar af te schrikken. Onder hen bevond zich Vanderstegen. De groep werd in twee gedeeld en werd om de dag gedurende vierentwintig uur opgesloten in het hotel Vander Haeghen in de Veldstraat. Dit systeem werd gehandhaafd tot de vooravond van kerstdag 1914, waarna het waarschijnlijk definitief werd opgeheven.
De Gentse gemeenteraad trachtte intussen onder de leiding van Emile Braun een behoorlijk bestuur te verzekeren. Kort na de bezetting besloten de verschillende partijen een godsvrede te respecteren voor de duur van de oorlog en de klassieke tegenstellingen werden tijdelijk opgeborgen. In januari 1918 keurde de gemeenteraad echter een motie goed waarin de activiteiten van de Raad van Vlaanderen werden veroordeeld, waarop het Duitse bestuur ingreep. Braun en schepen Deweert werden gedeporteerd naar Duitsland, waarop de overige schepenen uit protest ontslag namen. Een activistisch college onder de leiding van Franz Künzer nam hun plaats in, wat een woedende gemeenteraad ertoe bracht alle steun aan het stadsbestuur op te zeggen. Aan deze situatie kwam pas op 8 november 1918 een einde. Het door de Duitsers aangestelde bestuurscollege vertrok en een opnieuw samengeroepen gemeenteraad stelde een paarse bestuursploeg samen. Braun werd terug burgemeester en Vanderstegen kwam in het schepencollege terecht. Dit voorlopig college stond voor een financiële ramp. De heropbouw en de hoge inflatie zorgden voor een zware bijkomende belasting van de stadskas, die reeds vóór de oorlog in het rood was gegaan. De voorgestelde remedies en herstelplannen verdeelden traditiegetrouw het college, waardoor de crisis bleef aanslepen. De eerste gemeenteraadsverkiezingen op basis van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1921 leidden letterlijk tot een politieke aardverschuiving. Zeventien zetels gingen naar de katholieken, zestien naar de socialisten en de liberalen vielen terug op zes. Emile Braun leidde de coalitiegesprekken en zette een tripartite op de sporen met een liberale burgemeester. Hij trok zich vervolgens terug uit de politiek en Vanderstegen nam in augustus het ambt over.
Gedurende het volledige interbellum zou Vanderstegen de stad besturen aan het hoofd van deze drieledige coalitie, die enkel tussen 1934 en 1938 na het schandaal rond de Bank van de Arbeid werd verbroken door een tijdelijk vertrek van de socialisten uit het college. De politieke en ideologische tegenstellingen binnen de raad werden op die wijze getemperd door de gezamenlijke bestuursverantwoordelijkheid maar verdwenen uiteraard niet. Liberalen en socialisten blokkeerden gezamenlijk de aanvallen van de katholieken op het officieel onderwijs terwijl liberalen en katholieken de privatisering van de stadsregieën verdedigden tegen de socialisten. Om ondanks de vorming van deze tijdelijke en themagebonden coalities binnen de gemeenteraad toch een continuïteit in het bestuur te kunnen realiseren, werd van Vanderstegen dikwijls een uiterst behoedzame diplomatie gevergd. Hij diende de twee grote bestuurspartners tevreden te houden, terwijl ook de eigen liberale achterban met argusogen toekeek. Regelmatig gingen binnen de Liberale Associatie dan ook stemmen op om een oppositiekuur te volgen, maar doorheen de verschillende legislaturen in deze periode bleek het onmogelijk te zijn een rooms-rode coalitie te vormen. De liberalen leverden duidelijk de noodzakelijke brug tussen katholieken en socialisten en de positie van Vanderstegen werd nooit echt in vraag gesteld.
Waar vorige burgemeesters nog ruimte hadden gehad voor prestigieuze projecten en esthetische ingrepen, werd Vanderstegen geconfronteerd met meer dan twintig jaar crisis. Vanderstegen bewees in die periode de partijgrenzen te kunnen overstijgen en een ‘politiek van algemeen belang’ te kunnen voeren. Een eerste prioriteit hierbij was de volkshuisvesting die zwaar geleden had onder de oorlog en de erfenis meedroeg van negentiende-eeuwse wantoestanden. Honderden krotwoningen en beluiken verdwenen en werden vervangen door grote complexen met sociale woningen aan de rand van de stad, zoals het Scheldeoord aan de Vanderstegenlaan, de Werkerskolonie of ‘de blokken’ aan de Brugsesteenweg en de tuinwijken aan de Sint-Bernadettestraat en de Zwijnaardse Steenweg. Woonuitbreiding voor de meer bemiddelde klasse werd voorzien op Sint-Pieters-Aalst, op Sint-Pieters-Aaigem met het miljoenenkwartier en rond het Van Beverenplein. Tweede prioriteit was, zoals steeds, de Gentse haven, die onder Vanderstegen verdere impulsen kreeg. De uitbreiding van de dokken, begonnen in 1900, werd in 1930 voorlopig afgewerkt en de haveninfrastructuur werd gemoderniseerd. Heel belangrijk voor de verdere industriële ontwikkeling van het gebied was de aanhechting van de oevergronden langs het kanaal Gent-Terneuzen bij de stad Gent, die hierdoor een industrieterrein kreeg dat zich uitstrekte tot aan de grenzen van de gemeente Zelzate. Naast het scheepsvervoer had hij, als beheerder van de NMBS, eveneens oog voor de uitbouw van het spoorwegnet rond Gent. Hij realiseerde in 1929 de afbraak van het Zuidstation en liet rond Gent een ringspoorweg aanleggen met het Sint-Pietersstation als centraal punt. Ook het havengebied werd volledig ontsloten voor het vervoer per spoor. Aan de universiteit werd intussen ruimte en steun geboden om uit te breiden en te moderniseren. In 1931 startten de werken aan de boekentoren op de Blandijnberg, in 1936 aan het complex van het Universitair Ziekenhuis en 1937 aan de Veeartsenijschool en de Landbouwfaculteit, beiden op de Coupure. Minder opvallend voor de buitenstaander maar des te belangrijker voor het functioneren van het stadsbestuur, waren de veranderingen die Vanderstegen, zich baserend op zijn ervaring als bedrijfsleider, doorvoerde in de ambtenarij. Centraal stond de introductie van de eerste vergelijkende wervingsexamens, waardoor volgens Vanderstegen kwaliteit voorrang zou krijgen op politieke loyauteit en een begin werd gemaakt met de depolitisering van het ambtenarenkorps.
Gent als cultuurstad kreeg, gezien de financiële tekorten, minder aandacht maar werd uiteraard niet helemaal verwaarloosd. Het Albertpark nam de plaats in van het oude Zuidstation en drie nieuwe musea openden hun deuren: het Museum voor Volkskunde, het Museum voor Sierkunst en het Archeologisch Museum van de Bijloke. Ook de Floraliën vonden in Vanderstegen (die later voorzitter werd van de Koninklijke Maatschappij voor Landbouw en Plantkunde) een uitstekende beschermheer voor de vijfjaarlijkse tentoonstelling, die in 1933 een absoluut hoogtepunt beleefde.
De werkdruk werd echter te groot voor Vanderstegen. Hij naderde de kaap van zeventig jaar maar zijn agenda bleef overvol. Als beheerder en ondernemer had hij reeds enige tijd een stap achteruit gezet en zich tot de algemene supervisie beperkt, maar op politiek terrein namen zijn taken in de jaren ’30 enkel toe. Hij werd lid van het nationaal partijbureau, was voorzitter van de Belgische Vereniging van Steden en Gemeenten en werd in 1936 verkozen tot senator. Hij vond een opvolger in de figuur van de nieuwe voorzitter van de Gentse liberalen Henri Story die in 1936 Jean Van Impe had opgevolgd. De verkiezingen van 1938 waren echter te dichtbij om Story reeds als kandidaat-burgemeester te lanceren en Vanderstegen besloot node zich nogmaals kandidaat te stellen. Story kwam in de gemeenteraad terecht, werd schepen en groeide uit tot een valabele kandidaat-opvolger die in de persoon van Anseele jr. ook de steun kreeg van de socialisten. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gooide dit schema echter overhoop. Vanderstegen werd vervangen door de VNV'er Hendrik Elias en trok zich terug. Story werd in 1943 gearresteerd en op transport gezet naar Duitsland waar hij in december 1944 in een concentratiekamp overleed. Na de bevrijding in 1944 riep de regering Vanderstegen op om het burgemeesterschap terug op te nemen maar hij was te ziek om hieraan gevolg te geven. Anseele verving hem als waarnemend burgemeester tot 1946, waarna Vanderstegen in 1947 definitief uit de politiek stapte. Hij overleed te Gent op 7 januari 1959, enkele dagen voor zijn negentigste verjaardag.
In de populaire beeldvorming kon de figuur van Vanderstegen het nooit opnemen tegen Emile Braun, de rondborstige en joviale “Miel Zoetekoeke” die door vele Gentenaars op de handen werd gedragen. Andere tijden brengen echter andere noden, en in het geval van Vanderstegen was dit overduidelijk. De Eerste Wereldoorlog had op meerdere terreinen een definitieve breuk in de geschiedenis veroorzaakt en Vanderstegen werd de eerste succesvolle vertegenwoordiger van een nieuwe generatie burgemeesters, die professioneel bestuur voorrang leerden geven op partijpolitiek radicalisme.
Bron : http://www.liberaalarchief.be