Dat het één jolige bende is bewijst het volgende "verhaaltje" , geschreven door iemand van de bosgroep.
GENIETEN
Een kaki terreinwagentje stopt op een bosweg in de Zuiderkempen, gevolgd door een grijze V W. Zeven mannen tussen 40 en 67 stappen uit. De mannen trekken allemaal een cowboy-broek aan.Eén cowboy haalt een plan uit de kofferruimte en begint een uitleg; hij is de uitlegman: eerder klein, licht kalend, spreekt Brabants. De mannen doen alsof ze opletten. Ze hebben het al zo vaak gehoord.
Na de uitleg zegt de uitlegman: “Seg, genieten, he, mannen!”
Twee kerels nemen een witte spuitbus. Ze zien er toch geen graffiti-kunstenaars uit. De ene, een struise zestiger, type travo-man, gele fluo-jas,heeft een air van “ik zal dat hier eens gaan oplossen”. De andere, bedachtzaam, snorreke, in het rond speurend, vroeger garçon geweest in de Palma? Ze beginnen witte pijlen en verticale strepen op de bomen te zetten.Boven hun hoofd hangt een wit plakkaat met rode letters
PRIVAAT EIGENDOM GEEN TOEGANG. Trekken ze zich niets van aan. De travo-man en de garçon banen zich al spuitend een weg door de manshoge bramen.
De anderen nemen een blauwe spuitbus. Ze trekken ook het bos in op 10 meter afstand van elkaar. Ze nemen soms een boom vast, kijken naar boven, spuiten een blauwe bol of gaan voort. Eén van deze blauwspuiters loopt voortdurend popopom popopom pom pom pom te zingen. Die is duidelijk aan ‘t genieten of is hij muziekleraar geweest? Ja, dat is ‘t. Zijn blauwe bollen hebben de vorm van muzieknoten: soms hele, dikwijls halve.De muziekmeester vraagt soms aan zijn gebuur: “Welke boom is dees?”
De aangesprokene antwoordt altijd prompt.Die is zeker van zijn stuk, alsof hij de cursus boswachter heeft gevolgd. Hij is toch maar bij zijn job gebleven in de koekjesbakkerij. Hij heeft duidelijk rugpijn. Misschien is hij vorkheftruckchauffeur?
Wat afzijdig loopt er nog één in de hoogte te turen. Hij heeft een smossige parka aan, een wit-zwarte zebrakop en een Talibanbaard. eft ook een kompas aanhangen. Seffens zoekt hij het oosten op en rolt hij zijn matje uit!se
Plots een kreet,een kletterende vloek. Er kruipt iemand recht: een boom van een vent, maar wat kort afgezaagd. Ze noemen hem “de kloempenkoning”.
“Gaget?” vragen zijn onderdanen. “Bremen, mannen, Bremen!” klaagt de koning.
“Bremen ligt in Noord-Duitsland; de Bremer stadsmuzikanten,” orakelt de muziekmeester. Hij kan het weten.
De uitlegman, die kriskras door het bos laveert, komt zich moeien. Er worden bollen weggekrast, bijgezet, bomen bekeken, herbekeken. Er wordt gewikt en gewogen, gegrapt en gelogen.
De kloempenkoning sust de gemoederen op zijn manier. Hij deelt plastieken borreltjes uit en schenkt in: straffe brandewijn van gegiste druiven uit de Moezelstreek. Ligt Bremen aan de Moezel?
Zeven mannen hebben die dag ECHT GENOTEN.
Straks zijn ze weer ECHTGENOTEN.
Jef van Jos van Jefke van Rikus