HET UNIEKE LANDSCHAP VAN DE NOORDELIJKE FRIESE WOUDEN
Sinds de Middeleeuwen zijn er houtwallen in Friesland.
Op de overwegend hogere zandgronden werden greppels gegraven
waartussen de grond werd opgeworpen.
De zo ontstane aarden wallen werden vervolgens beplant met bomen en struwelen.
Mede in verband met de toenmalige heideontginningen zijn de meeste houtwallen in de gemeente
Tytsjerksteraiel en Achtkarspelen rond 1700 aangelegd.
Voor de houtwallen in dit gebied, waarvan de globale lengte circa 270 km bedraagt,
worden de volgende benamingen gehanteerd: 'hegedyk', dykswâl', 'wâldyk'.
Oorspronkelijk doel van de houtwallen is voornamelijk veekering en afscheiding tussen
eigendommen.
De talrijke elzensingels op de veeontginningsgronden in het gebied, met een globale lengte van
3.000 km, zijn wellicht nog iets ouder.
Op de akkerranden van de ontgonnen percelen ontsproten spontaan elzen.
Tegen het einde van de 19e eeuw zijn de ontginningen gestopt, waarna de elzensingels als
markering van eigendommen en gebruikseenheden bleven staan.
Dit erfgoed wordt beheerd en doelgericht onderhouden door de betrokken agrariërs in de Friese Wouden.