Vanaf eind 1945 konden in Belgische legerdumps door de geallieerden afgedankte voertuigen worden gekocht. De inzet van originele pantservoertuigen gaf een nieuwe dimensie aan de smokkel. De smokkelaars in het grensgebied tussen Turnhout en Tilburg hadden hun leermeesters gevonden in de bevrijders, zoals onder meer bleek uit de 'Moergestelse pantsersmokkel', die eind mei 1948 als eerste na-oorlogse pantserzaak diende voor de Bredase Bijzondere Politierechter. De pantserauto, die na een wilde achtervolging in Moergestel door de douane werd geramd, was geladen met zeven koeien voor België. Als retourvracht was in een boerderij in Oirschot al een partij van 4.400 knotten katoen en 36 tapijten uitgeladen.
Al snel werd overgestapt op de ombouw van Amerikaanse luxe wagens van roemruchte merken als Chrysler, Oldsmobile en De Soto tot pantserauto's. Door specialisten, die overal in de grensstreek waren te vinden, werden stalen platen aangebracht in de portieren, achter de rugleuningen, in de wielkasten, onder het dashboard en langs de radiateur. De smokkelauto's stonden op speciale banden waardoor na een kogelinslag nog meer dan 100 kilometer kon worden doorgereden. Ook vrachtwagens werden op deze manier beveiligd. Met de snelle personenauto's en de vrachtauto's zijn miljoenen kilo's Nederlandse roomboter naar België gesmokkeld.
De situatie was als volgt: de Nederlandse boeren produceerden zoveel boter dat die in het margarine-minnende Nederland in geen jaren te slijten was. In het Bourgondische België was de situatie precies tegenovergesteld: veel vraag, veel te weinig aanbod, en daarom duur. In 1961 moest de Belgische consument rond de zes gulden betalen voor een kilo boter, tegen drie gulden in Nederland. Om de Belgische boeren voor het Nederlandse agrarische geweld te sparen, kwamen beide regeringen met elkaar overeen dat Nederlandse boter in België even duur moest zijn als in het produktieland. Op de voor België bestemde boter werd een exportheffing gelegd, die de illegale uitvoer zo aantrekkelijk maakte: de smokkelaar spaarde dat bedrag uit. De Belgische minister van Landbouw berekende in juli 1961 dat minstens tien procent van de Nederlandse produktie, die toen de 100 miljoen kilo naderde, naar België werd gesmokkeld.

Gecamoufleerde smokkelaars met 'pungel' eind jaren veertig. Reconstructie door douaniers.
Coll. Belastingmuseum Prof. dr. Van der Poel, Rotterdam
Door de Nederlandse overheid is deze smokkel onvoldoende bestreden, vermoedelijk omdat men op een goedkope manier van de boter afkwam. De Belgische overheid echter was er veel aan gelegen de smokkel te stoppen, omdat de zuivelnijverheid er volledig door werd ondermijnd. Van het begin af aan was de Belgische douane veel beter uitgerust dan hun Nederlandse collega's. Terwijl de Nederlanders er nog met hun armetierige dienstfiets op uit moesten trekken en min of meer maar moesten zien hoe ze het stelden, hadden de Belgen van de Belgische Boerenbond al een aantal Amerikaanse 'Highway patrolcars' ter beschikking gesteld gekregen. De Belgen konden bovendien op een vangstpremie rekenen van tien procent. Het kwam veelvuldig tot wilde achtervolgingen. Op de Ringbaan-West in Tilburg schoot een douanier in de nacht van 26 op 27 januari 1955 twee kogelhouders leeg op een smokkelauto. Desondanks wist deze te ontkomen doordat een andere bij het complot betrokken chauffeur de douane-auto ramde. In 1966 leek de douane fortuinlijker. Een Mercedes werd in beslag genomen en op de afgesloten binnenplaats van het belastingkantoor neergezet. Tijdens de viering van carnaval echter wisten de smokkelaars het voertuig uit de hol van de leeuw te ontvreemden.
Om zich de jagende en met scherp schieten de douane van het lijf te kunnen houden, werden pantserwagens ingezet, voorzien van smokkelaarswapens als de beruchte kraaiepoot, rookbommen en molotovcocktails. In bochten werd olie op de weg gegooid, zodat een douane-auto in een slip raakte. Aan de voorkant van vrachtauto's werden een soort sneeuwschuivers bevestigd om daarmee auto's van de douane van de weg af te kunnen duwen. In de buurt van Turnhout werd een smokkelauto aangehouden die was uitgerust met een vliegtuigmotor. Het zijn slechts een paar voorbeeld van wat zoal werd bedacht om de uiterst lucratieve botersmokkel voort te kunnen zetten. Feitelijk liep deze smokkel volledig uit de hand. Men vraagt zich onwillekeurig af waar dit had moeten eindigen als met de invoering van de EG-landbouwpolitiek geen einde was gekomen aan de botersmokkel.
Toen deze doldrieste episode uit de Belgisch-Nederlandse smokkelgeschiedenis ten einde was, beschikten de smokkelaars over een uitgebreide infrastructuur, afzetkanalen en het nodige zwarte geld. Vaak wordt gesuggereerd dat ze op de smokkel van drugs zijn overgestapt. Op slechts een paar uitzonderingen na is dat echter niet het geval geweest. De smokkelaars kozen voor een andere, zeer tot de verbeelding sprekende vorm van belastingontduiking: illegaal alcoholstoken, dat bijna volledig in handen was van voormalige Brabantse smokkelaars. Zij hadden het 'vak' geleerd van hun Belgische kornuiten, voorwaar een merkwaardig voorbeeld van grensoverschrijdende samenwerking.