JEROEN BROUWERS
Hij was het vierde kind van Jacques Theodorus Maria Brouwers (1903-1964) en Henriëtte Elisabeth Maria van Maaren (1908-1981). Later werd nog een broertje geboren. Zijn vader werkte als boekhouder bij een architectenbureau.
Na de Japanse invasie begin 1942 en de capitulatie van het KNIL werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Brouwers belandde met zijn grootmoeder Elisabeth Henrica Pos (1885-1945), zijn moeder en zus eerst in het Japanse interneringskamp Kramat. Na een paar maanden werden ze overgeplaatst naar het kamp Tjideng, in een buitenwijk vanBatavia. Zijn grootouders hebben de kampen niet overleefd. Hij schreef in 1981 over deze Japanse bezetting van Indonesië een boekBezonken rood, vertaald in 1988 in het Engels als Sunken Red [1]. Zijn jeugd in Indonesië speelt ook een rol in zijn romans Het verzonkene en De zondvloed. Deze drie romans zijn later in één band uitgebracht.
Na de oorlog werd het gezin herenigd en verhuisde naar Balikpapan (Borneo, het huidige Kalimantan).
Mevrouw Brouwers repatrieerde in 1947 met haar kinderen per schip naar Nederland. In 1948 kwam ook meneer Brouwers naar Nederland.
Tot 1950 woonde Brouwers thuis bij zijn ouders. Toen hij tien jaar oud was werd hij in diverse rooms-katholieke pensionaten ondergebracht. De reden was dat hij een onhandelbaar kind zou zijn dat na de vrijheid van Indië niet kon wennen aan het Hollandse keurslijf. Ook deze ervaringen verwerkte hij in zijn werk.
Zijn ouders verhuisden naar Delft. Daar haalde hij in 1955 zijn MULO-diploma.
Van 1958-1961 was Brouwers in militaire dienst. Hij zwaaide af als kwartiermeester der Speciale Diensten: Marine Inlichtingen Dienst (MARID). Na zijn dienstplicht ging hij in 1961 in Nijmegen als leerling-journalist werken bij het krantenconcern De Gelderlander. Hij maakte tevens deel uit van de redactie van het soldatenblad Salvo.
In 1962 werd hij aangenomen bij de Geïllustreerde Pers in Amsterdam. Hij werd lid van de redactie van het blad Romance (later Avenue). Van 1964 tot 1976 werkte Brouwers inBrussel als redactie-secretaris en later als (hoofd)redacteur bij de Uitgeverij Manteau. Van 1968 tot 1971 woonde hij met zijn gezin in Vossem en later in Huize Krekelbos teRijmenam (Bonheiden). Er werden twee zoons geboren: Daan Leonard (1965-2006) en Pepijn (1968).
Na onenigheid met directeur Julien Weverbergh nam Brouwers ontslag bij Uitgeverij Manteau, en ging zich geheel aan het schrijven wijden. Na een periode in Warnsveld (bijZutphen) betrok hij huize Louwhoek in Exel, in de buurt van Lochem. In 1980 werd zijn dochter Anne geboren.
In 1991 vestigde Brouwers zich op een woonboot in Uitgeest. In augustus 1993 verhuisde hij naar Zutendaal in Belgisch-Limburg. Deze woning had hij reeds in 1990 aangekocht. Het huis ligt echter in een natuurgebied en wordt als zodanig niet als een verblijfadres erkend, waardoor Brouwers nog steeds in Maastricht gedomicilieerd is. Op 8 april 2011 heeft de rechtbank in Tongeren uitspraak gedaan dat Brouwers vier jaar de tijd heeft om de woning te slopen.[2]
Brouwers werd in 1992 opgenomen in de Orde van de Vlaamse Leeuw, en is sinds 1993 Ridder in de Belgische Kroonorde.
In 2007 kende de Taalunie aan Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren toe. Hij accepteerde eerst de prijs, maar weigerde deze later, omdat het bijbehorende geldbedrag van 16.000 euro volgens hem niet in overeenstemming was met het prestige van de prijs. Zo leverde alleen een debuutprijs bijvoorbeeld al 15.000 euro op, terwijl de Prijs der Nederlandse Letteren een oeuvreprijs is.[3] In dezelfde maand nam Brouwers de Tzumprijs voor de beste literaire zin van 2007 in ontvangst, waaraan een geldbedrag van 52 euro was verbonden. Ook ontving hij in 2007 de cultuurprijs van de gemeente Zutendaal, waaraan geen geldbedrag was verbonden.
Bron: wikipedia