Het wild zwijn of everzwijn komt over de hele wereld voor en leeft in loof- en gemengde bossen. Het wild zwijn is een krachtig dier met een gedrongen romp en een langwerpige kop. Ze kunnen heel goed ruiken en horen, waardoor je ze moeilijk kunt benaderen. Het gezichtsvermogen is slecht. Ze hebben een beweeglijke snuit die aan het uiteinde is afgeplat. De snuit en zijn lange hoektanden zijn uitstekend geschikt voor het omwoelen van de bosbodem op zoek naar voedsel. Zoals eikels, beukennootjes, wortels, knollen, truffels, insectenlarven en muizen.
Als je de wandeling maakt langs de zwijnencaches zal je ongetwijfeld omgewoelde grond tegenkomen.
Het dier heeft een donkere borstelachtige vacht. Gemiddeld worden de wild zwijnen 100 tot 165 centimeter lang, 60 tot 110 centimeter hoog en 35 tot 150 kilogram zwaar.
Wilde zwijnen leven in kleine groepen, "rotten" genaamd, bestaande uit vrouwtjes met hun jongen en één- en tweejarige zwijnen. Keilers leven daarentegen meestal solitair. De biggen, frislingen genoemd, worden geboren tussen februari en juni, na een draagtijd van 115 dagen. Zeugen krijgen maximaal 12 jongen per worp, dit komt overeen met het aantal tepels dat een zeug heeft. De biggen zijn bij de geboorte ongeveer 1,1 kilogram zwaar. Ze hebben horizontale strepen die dienen als camouflage. De strepen verdwijnen na drie tot vijf maanden. De jongen worden geboren in een door de moeder aangelegd nest, de "ketel". In dit nest blijven ze samen met hun moeder de eerste week van hun leven. Na een week sluiten moeder en jongen zich weer aan bij de oorspronkelijke groep. De zeug staat alleen andere zeugen met biggen toe, om in de buurt van haar eigen biggen te komen. Dit is niet overbodig, want keilers (mannetjes) schijnen tot kannibalisme te neigen.
Als zwijnen jongen hebben kunnen ze agressief worden tegen mensen, mochten deze te dichtbij komen..