Als er in het koninkrijk eindelijk een prinsesje geboren is wordt er een groot feest gegeven. Vijftig feeën worden hierbij onthaald en ontvangen een prachtig gouden etui met gouden bestek erin. Dan verschijnt er een heel oude fee, die allang dood gewaand werd. De koning zorgt er weliswaar al gauw voor dat zij ook deel mag nemen aan de feestmaaltijd, maar een mooie etui zit er niet meer in, en de oude fee is kwaad dat ze over het hoofd is gezien.
Wanneer de feeën hun doopgaven afspreken over de baby komt de oude fee als laatste: als het prinsesje zestien is zal ze zich prikken aan de spoel van een spinnewiel en sterven. Eén jonge fee voorzag echter de woede van de oude fee en spreekt snel de bezwering uit dat de prinses honderd jaar zal slapen waarna een prins haar met een liefdeskus zal wekken.
Ondanks de waakzaamheid van de koning prikt de prinses zich toch op haar zestiende en valt ze in slaap. Na door een dwerg met zevenmijlslaarzen gewaarschuwd te zijn tovert de goede fee de hele hofhouding mee in slaap, zodat de prinses nog iets vertrouwds zal hebben als ze ontwaakt. Zodra de koning en koningin weg zijn groeit er een woud om het kasteel heen. Pas na honderd jaar slaagt de zoon van de koning die toen regeerde om het kasteel te bereiken, en haar wakker te kussen. Kort daarop volgt hij zijn vader op als koning.