Geschiedenis Koolkerke – Ford van Beieren
Het fort ontleent zijn naam aan de toenmalige gouverneur van de Zuidelijke Nederlanden: Maximiliaan Emmanuel van Beieren (1702).
Het was ongeveer 22 ha groot en had de klassieke stervorm met dubbele aarden wal en walgracht.
Binnen de binnenste gracht werden vier bastions aangebracht die met korte courtines (vestinggordijnen) het binnenste reduit, dit is de laatste weerstandskern waarbinnen de verdediging zich in het uiterste geval kon terugtrekken, vormden van zo'n 250 m op 250 m.
Aan Brugse zijde kwam er een ravelijn - het zogenaamde 'eiland' - die de hoofdingang van het fort moest beschermen.
De buitenste omwalling bestond uit vijf bastions: vier voor het reduit en èèn voor de ravelijn.
Het fort als kampement diende ter verdediging en vijf gemeten land die aan de noordoostkant van het fort lagen konden ook ter verdediging onder water gezet worden.
Het kasteel van Stockhove, dat langs die kant lag, werd afgebroken.
Bovendien werden nog drie kleine fortjes - 'batterijen' genoemd - rond het grote fort ter bescherming aangelegd. In de kleine weide op de hoek van de Damse Vaart en de Vriezeganzestraat was er zo'n batterij.
Daar de soldaten vrijgesteld waren van alle handenarbeid, werd het fort gebouwd door mensen van de streek die daarvoor ingehuurd werden.
Tot voor 40 jaar had een grote kolonie blauwe reigers er zijn verblijf.
Tot 1998 was het gebied het private bezit van baron van Caloen.
Vandaag is het een openbaar domein van de Provincie West-Vlaanderen.