Je hoeft niet naar Afrika om wilde dieren te zien. Ook in Nederland kun je speuren naar wild en hebben we op onze eigen Veluwe ook de grote 5.Dat zijn het edelhert, het wilde zwijn, de ree, de das en de vos.
Met deze multi-fietstocht van ongeveer 20 km rond Wapenveld willen we graag deze, in het wild levende dieren in ons eigen land, hier in deze omgeving onder de aandacht brengen.
Edelhert
Het edelhert (Cervus elaphus) is het grootst op het land levende zoogdier van Nederland en na de eland de grootste soort uit de familie van de hertachtigen in Europa.
Het mannetje (hert) heeft een gewei. Elke nawinter wordt het gewei afgeworpen waarna meteen de groei van een nieuw gewei begint. Dit is rond juli voltooid en hard. In augustus verwijderen de mannetjes de basthuid (fluweelachtige huid) door deze langs takken en boomstammen te schuren en daarna is het gewei gevoelloos. De ontwikkeling van het gewei is sterk afhankelijk van kalkarme of kalkrijke gebieden.Een gewei kan 71 cm – 91 cm zijn en 5 - 15 kg wegen.
Edelherten maken niet veel geluid. De hinden maken bij verstoring een scherp blaffend of grommend geluid. De jongen blaten, wat door de moederdieren met een schaapachtig geluid wordt beantwoord. In de bronsttijd maken de mannetjes een brullend of loeiend geluid, ook wel burlen genoemd. Buiten deze tijd maken de mannetjes weinig geluid.
Oorspronkelijk kwam het edelhert in heel Nederland voor. Nu komt het edelhert alleen nog voor op de Veluwe, de Oostvaardersplassen en in het Weerterbos.
Wild Zwijn
Het wilde zwijn wordt ook wel everzwijn genoemd. Een mannetje heet keiler, het vrouwtje zeug en een groep noemt men rotte.
Het wild zwijn heeft een donkere, borstelige vacht met een dikke ondervacht. Een volwassen mannetje heeft twee slagtanden. Het zijn de twee hoektanden in de onderkaak die naar boven gericht staan. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen omhoog. Hoe ouder een mannetje is, hoe verder deze hoektanden naar boven uitsteken. Jonge wilde zwijnen hebben een zwartbruine vacht met goudgeelachtige strepen. Deze lopen van voor naar achter over de rug.
Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. In Nederland worden wilde zwijnen meestal niet zwaarder dan 120 kg.
Het wild zwijn maakt knorrende en brommende geluiden. Wanneer het dier in paniek is of angst heeft, is een hoog geschreeuw te horen.
In Nederland was het wild zwijn in de 19de eeuw uitgestorven, maar hij is door Prins Hendrik weer uitgezet. Nu komt het everzwijn weer voor op de Veluwe, in Limburg, Oost-Brabant en bij Nijmegen.
Het wild zwijn leeft meestal in eiken- en beukenbossen omdat daar in de herfst veel eikels en beukennootjes te vinden zijn. Ook zijn ze graag op natte/moerassige plaatsen waar ze in ondiepe poelen modderbaden kunnen nemen.
Een wild zwijn heeft een scherp gehoor en goed reukvermogen, maar ze kunnen slecht zien.
Langs de bospaden kan je goed zien dat er een rotte zwijnen aan het wroeten is geweest door de omgewoelde aarde.
Het ree.
Vaak wordt een ree onterecht een "hert" of "hertje" genoemd. Ze zijn zelfs geen familie van elkaar. Het ree (Capreolus capreolus) is ongeveer net zo groot als een grote herdershond en komt voor in bijna heel Europa. Het heeft een zandgele tot roodbruine vacht in de zomer die in de herfst langer wordt en verkleurt tot grijsbruin. Af en toe komen er een zwarte of witte reeën voor. Het achterwerk is witgeel wat in de winter het duidelijkst zichtbaar is. Deze vlek wordt spiegel genoemd en omdat een ree geen staart heeft valt dat heel goed op. Een mannetjes ree heet bok, een vrouwtje geit, een jong een reekalf en een groep reeën heet een sprong.
Een volwassen mannetje heeft een gewei, met drie tot zes vertakkingen. Het gewei is maximaal 25 centimeter lang, groeit in de winter en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni. Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen.
Reeën kunnen het hele jaar door 'blaffen', tijdens de bronst maken ze ook klaaglijke schreeuwtjes en kunnen ze schor piepen. Een geit maakt klagelijke kreten als ze haar kalf roept. Jonge kalveren op zoek naar hun moeder maken ook zo'n klagend geluid.
In Nederland komt het ree bijna overal voor. Het leeft in bosachtige streken met open plekken, maar ook in heidevelden, rietvelden, duinen en akkerbouwgebieden. Hij heeft een voorkeur voor het overgangsgebied van loofbos naar open terrein, om er dekking te zoeken, te rusten en te herkauwen.
De Das
De das (Meles meles) is het grootste voorkomende landroofdier in Nederland en behoort tot de familie van de marterachtigen. De das heeft een grote, brede kop en een zwaargebouwd gedrongen lichaam. Hij heeft korte poten en een korte, brede, bossige staart. De kop is wit met twee brede zwarte strepen.
De das heeft stevige tenen met lange, kromme nagels, waarmee hij heel goed kan graven. Pasgeboren dassen zijn grijswit, met zijdeachtig haar bedekt en vaak zijn de donkere banden over de ogen al zichtbaar. Na enkele weken is hun vacht gelijk aan die van de volwassen dieren. Oudere dassen worden vaak lichter van kleur.
Mannetjes worden ook wel beren genoemd en vrouwtjes zeugen.
De das is een stil dier, toch kan hij veel verschillende geluiden maken. Als de das opgewonden is maakt hij mekkerende, tokkende, snuivende en grommende geluiden. Bij de jongen maakt de das piepende en kirrende geluiden. Bij bedreiging is een diep, zwaar gebrom te horen en bij angst, gevechten en hevige pijn schreeuwt hij hard.
In Nederland komt de das vooral voor op de hogere gronden in het oosten, zuiden en midden van het land. In Noord-Holland (behalve het Gooi), Zuid-Holland en Zeeland komt de das niet voor . De meeste dassen komen voor op de Veluwe, in het oosten van Noord-Brabant en in Zuid-Limburg.
Dassen leven in uitgebreide zelf gegraven holengangen, ook wel burchten genoemd. Deze burchten liggen in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. Een burcht heeft meestal 3 tot 10 (soms wel 80) ingangen en bestaat uit holen die door lange gangen, van soms enkele honderden meters lang, met elkaar verbonden zijn.
De vos
De vos (Vulpes vulpes) behoort tot de familie van de hondachtigen. Een vos is maar iets groter dan een flinke kat, hoewel hij door zijn lange vacht en dikke staart vooral 's winters groter lijkt. De vos heeft een oranjebruine, rode of bruingrijze vacht, korte poten en een langgerekt lichaam.
Hij heeft een dikke, lange staart vaak met een witte punt. De vos heeft een goed gehoor en reuk maar ziet minder scherp.
Het mannetje (rekel) is groter dan het vrouwtje (moer).
In Nederland komt de vos het meeste voor op de hogere gronden zoals in Gelderland en Overijssel en ook in de provincie Utrecht. Maar zo langzamerhand komen ze ook voor in het noorden en westen. Vossen komen niet voor op de Waddeneilanden.
De vos leeft in bossen en parken, op de hei, in duinen en polders.,maar ook aan de randen van of in dorpen en steden. Hij leeft waar voldoende voedsel en dekking is en jaagt het liefste waar veel voedsel te vinden is.
De vos is een schemer- en nachtdier en leeft in familiegroepen bij elkaar. Holen worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te slapen, in winter en voorjaar en als ze drachtig zijn of jongen hebben. In de andere jaargetijden slapen ze meestal, net als de meeste mannetjes het hele jaar door doen, op een beschut plekje, onder een dichte struik bijvoorbeeld.
We hopen dat je geniet van deze fietstocht en dat je misschien ook nog wild tegenkomt.
Deze tocht kan tussen zonsopgang en zonsondergang gereden worden.
A B C D E F G H I J K L M