Nijkerkerveen en Hoevelakerveen vormden in de Middeleeuwen samen het 'Grauwe Veen'. De oudste geschreven tekst waarin de naam Hoevelaken voorkomt, dateert uit het jaar 1132.
Met de grote ontginning van de Grawenvene, het Grauwe Veen, dat zich uitstrekt over het grondgebied van het huidige Zwartebroek, Nijkerkerveen en Hoevelaken, begint de geschiedenis van duurzame bewoning van het dorp.
Aan de rand van dit veen lag een weinig aantrekkelijk stuk grond. Andreas, van 1128 tot 1139 bisschop van Utrecht, geeft aan vier mannen, Remvard, Otward, Hemelric en Heribert, het onbebouwde land Hoevelaken tot een erfelijk goed in eigendom.
Zij beginnen de woeste aarde in cultuur te brengen, het land dat genoemd wordt inculta, onbebouwd, en penitus inutilis, door en door onnuttig. Wat waren de motieven een begin te maken met de ontginning van dit grote veen?
Onder andere zou er een strategische reden zijn geweest. 'Hoevelaken, direct grenzend aan Amersfoort, lag op de grens met het oude Gelre. Het moerassige gebied bood de Geldersen een prachtige gelegenheid om het Sticht onopgemerkt binnen te dringen. Een verdedigbare grens was er immers niet', aldus de dorpsgeschiedschrijver, de in Hoevelaken geboren en getogen en in Amersfoort woonachtige meester in de rechten Aart Veldhuizen.
Nijkerkerveen was lange tijd brandstofleverancier voor het stadje Nijkerk, door de turf die uit het veen werd gestoken. Zoals veel veengebieden in Nederland, was ook Nijkerkerveen eeuwenlang een arme nederzetting. Het was een grensgebied en lange tijd een toevluchtsoord voor mensen die wat op hun kerfstok hadden, mensen die bepaald geen goede reputatie genoten.
In 1654 werd Nijkerkerveen beschreven door Arend van Slichtenhorst: "Het Nijkerkerveen, 't welk aen de hele vest genoeghsaemen brand kan verschaffen, is weleer, op de wijze van meest alle veenen, een poel en verdronken land geweest."