Inleiding
Deze geocache ligt in de Oosterse Bekade Gorzen, een recent door Staatsbosbeheer ontwikkeld natuurgebied. Het is onderdeel van de Oeverlanden Hollands Diep, dat zich uitstrekt over een groot deel van de zuidrand van de Hoekse Waard. Door een gat in de buitendijk is het voormalig polderland onder water gezet. Het ondiepe water van dit natuurschoon is een paradijs voor vogels die voor hun voedsel grotendeels afhankelijk zijn van een dergelijk leefgebied.
Praktische zaken
Staatsbosbeheer heeft toestemming verleend voor de cache. Deze is afhankelijk van het geocachende publiek, dat zich netjes dient te gedragen. Dus: blijf op de paden en ga voor al niet aan de gang met het verplaatsen van rotsblokken. De cache ligt daar niet. De stenen fungeren enkel als golfbrekers om de dam te beschermen en je kunt je op die rotsen lelijk bezeren.
De cache is uitsluitend wandelend bereikbaar. Met de fiets kun je bij het toegangshek komen en vanaf dat punt is het nog een stukje lopen. Je auto kun je niet in de buurt parkeren. De dichtstbijzijnde parkeerplaats is aangegeven in deze beschrijving. Maak gebruik van de waypoints om het gebied te bereiken. Reken op een half uurtje enkele reis.
De cachecontainer bevat een handleiding voor het terugplaatsen van de cache. Dit dient zorgvuldig te gebeuren met de uitsparing voor de afwatering aan de onderzijde.
De cache bevindt zich op N 51º 4N.NNN E 004º 27.EEE. Daarbij zijn NNNN en EEE oplossingen van een wiskundige puzzel, die wordt geïntroduceerd in onderstaand waargebeurd verhaal.
Waarschuwing: Google maps geeft niet de actuele situatie weer. Openstreetmaps doet dit wel, evenals Bing Maps. Gebruik hiervan het satellietbeeld om precies te zien waar de cache zich bevindt.
Wel vis, geen uitjes
“Wat ben je aan het doen?”, klonk het achter me. Geschrokken trok ik mijn hand terug uit de koelkast. Een stuk kaas viel met een bonk op de keukenvloer. Ik draaide me om en keek recht in de ogen van een grote, witte vogel.
“Ik kon niet slapen”, zei ik, “en toen dacht ik: ik neem een glas warme melk, dat wil wel eens helpen.” De vogel keek naar beneden, naar mij, toen weer naar beneden en terug naar mij. Hij zei: “Dat ziet er niet uit als een glas melk. Dat lijkt meer op kaas, volgens mij.”
En met een lach op zijn snavel: “Haha, je ziet er nu uit als mijn neef, die kan ook zo leuk rood kleuren. Purper noemen we hem.”
Ik werd nu echt wakker. “Wie en wat ben jij eigenlijk en wat kom je hier doen?”
“Oh, sorry”, zei de vogel, “ik had me natuurlijk eerst even moeten voorstellen. Nu, ik heet Zilver en ik ben een reiger. Ik kom kennismaken.”
“Kennismaken?”
“Ja”, zei Zilver, “ik ben hier namelijk in de buurt komen wonen, in de Oosterse Bekade Gorzen om precies te zijn. En toen dacht ik; ik ga eens langs om mij voor te stellen.”
“En dat doe je midden in de nacht?”
“Jawel”, zei de reiger, “overdag heb ik geen tijd. Dan moet ik namelijk vissen, anders heb ik geen eten.”
“En wonen daar nog meer reigers?”
Ik begon het gesprek leuk te vinden en werd steeds nieuwsgieriger.
“Er wonen niet veel zilverreigers. Er zijn wel wat blauwe reigers, maar die zijn niet zo fotogeniek.” Hij maakte de vergelijking af door zijn poten te strekken en zijn borst vooruit te steken. “En dan zijn er nog ganzen, eenden, grote zaagbekken, rietzangers en af en toe een blauwborst. En een groot aantal van die bruine steltlopers die op hun hoge poten door het water waden. Bloednerveus word je ervan. Sta eens stil, zeg ik dan. Maar daar trekken ze zich niets van aan. Ze zeggen dat ik de hele dag in het water mijzelf sta te bekijken. Puh, ADHD, wat ik je brom.”
En na een korte pauze: “Allemaal.”
“En dat was het?”
Aarzelend ging Zilver verder met zijn beschrijving. “Er zijn nog twee andere…
Ja, twee… hoe zeg je dat? Die zijn niet.… OSV.” Ik keek hem niet begrijpend aan.
“Ja, OSV”, ging hij verder.
“Niet ons soort vogels. Ze eten alleen maar brood en daarom ruiken ze anders. Niet naar vis dus.”
“Wat zijn dat dan voor beesten? Heb je hen dat niet gevraagd?”
“Jawel, maar daar wilden ze niet echt antwoord op geven. De een heet Archie en hij zegt dat hij uit Griekenland komt. En de ander was nog gekker, want die wilde zijn naam niet noemen. Alleen zijn soort, of eigenlijk zijn ras, zoals hij het noemde. Nou ik heb de hele Petersons vogelgids doorgebladerd, maar ik heb de Pythagoos niet kunnen vinden. Ik kwam met Archie mee, dus ik kom ook uit Griekenland, zei hij nog.”
“Als ze geen vis eten, wat doen ze daar dan?”
“Tsja”, zei Zilver, “ik snap het ook niet echt. Ze zitten de hele dag aan de picknicktafel plaatjes te tekenen en daar onder wat te krassen. En om de zoveel tijd stoten ze hun vlerken tegen elkaar en laten hun kreet horen. Kwarpiehaha, Kwarpiehaha, roepen ze dan. Toen ik vroeg wat ze aan het doen waren, kreeg ik een onsamenhangend verhaal te horen over het feit dat dit hun manier was om aan hun familie te laten weten waar ze zaten. Iets met coördinaten, of zo. Ik heb ook zo’n tekening van ze gekregen, die ik bewaard heb. Kijk, dit is het.” Hij haalde een papier van onder zijn vleugels vandaan en liet het me zien.
“Aha, een arbelos”, zei ik, “dat ken ik wel.”
“Een albatros?” Het was nu de beurt aan de reiger om verbaasd te zijn.
“Nee, een arbelos. Dat is Grieks voor schoenmakersmes.”
“Schoenen?”, zei Zilver en hij keek naar beneden om zijn ogen van mijn voeten naar zijn poten te laten gaan. “Dat is wel grappig, aangezien wij allebei op blote poten in jouw keuken staan.”
“Bij mij heten dat dus voeten”, zei ik korzelig. Het was nu de beurt aan Zilver om op zijn neef te lijken. “Nee, een arbelos is een wiskundig figuur met bijzondere eigenschappen. Ik ken het nog uit mijn middelbareschooltijd. De oude Grieken hielden zich er al mee bezig. Met name…” Ik stopte met praten en moest mij even staande houden aan het aanrecht. Dit kon niet waar zijn, dacht ik. Ik moet nadenken. Ik moet nu van die vogel af.
Zilver had het niet in de gaten en ging onverstoord verder: “Toch grappig met die mensen; eerst kleuren ze paars en op het volgende moment lijkbleek. Je hebt nu wel wat van mij weg.”
“Luister Zilver”, zei ik in een poging om een eind aan het gesprek te maken.” Ik wil wel weer naar bed. Zal ik ook eens bij jou langskomen? En zal ik dan iets voor je meenemen. Vis? Een harinkje?”
“Die mag ik alleen per twee tegelijk van de dokter”, zei de vogel. “En dan geen uitjes, daar ga ik zo van uit mijn snavel stinken.”
Met deze woorden namen we afscheid van elkaar en toen ik de volgende ochtend wakker werd, was ik opgelucht dat ik deze rare droom achter mij kon laten. Volgens de wekker was er tijd om me nog één keer om te draaien. Op het nachtkastje zag ik een stuk papier liggen met rode en gele halve cirkels erop getekend en daar bovenop iets wat het restant van een stevig stuk kaas moest zijn geweest.
Puzzel
Voor de locatie van de cache moet je in bijgaande figuur, bestaande uit 3 halve cirkels met een gemeenschappelijke middellijn, de relatie vinden tussen het rode oppervlak A en de lengte van h. NNNN en EEE zijn gelijk aan A als h 60,47 respectievelijk 28,11 is. Gebruik de π (Grieks!) van je rekenmachine of je spreadsheet. De echte rekenaars doen dit natuurlijk met potlood en papier. Die kunnen voor π 3,141592653 aan houden. NNNN en EEE zijn gehele getallen. Afronden is dus noodzakelijk. Als het goed is in beide gevallen naar boven. Checken doe je hier.
Tot slot
Mocht je in de Oosterse Bekade Gorzen ook willen kennis maken met Zilver en iets voor hem mee willen nemen, bedenk dan: wel vis, geen uitjes.