Bij opgravingen ontdekte men dat er al omstreeks het jaar 1000 een klein kerkje was. De grondvesten zijn nu te zien. Het gebouw werd in zes bouwfasen vergroot en had in 1841 het huidige volume. Vanaf 1938, na de ontwijding, werd het kerkgebouw niet of nauwelijks gebruikt en verviel het tot een ruïne. De bouwvallige ingebouwde toren werd reeds in het begin van de twintigste eeuw verwijderd.
Om tegemoet te komen aan een gebrek aan begraafplaatsen werd begin eenentwintigste eeuw besloten om het kerkgebouw een andere bestemming te geven. Het is sinds 2012 – enig in Europa - een overdekte begraafplaats, aansluitend op het omliggende kerkhof. De ruimte heeft twintig prefabgrafkelders, afgewerkt met marmeren dekplaten, waarin een honderdtal personen kunnen begraven worden, twee per grafkelder eventueel samen met telkens enkele urnen van gecremeerde lichamen. In de achterwand bevindt zich nog een columbarium voor een twintigtal urnen.
Een eikenhouten beeld van een treurende man, vrouw en kind tussen het archeologische veld en de grafzerken heeft een merkwaardige geschiedenis. Een 500-jarige eik werd zonder medeweten van het schepencollege en dus zonder kapvergunning, omgezaagd. Om de omgezaagde boom een nieuw leven te geven gaf het gemeentebestuur aan Herman Moermans, een plaatselijke kunstenaar, de opdracht om er het beeld uit te kappen.
De cache ligt in de kerk, die 24/24 bereikbaar is.