In 1683 is het destijds bestaande stadspeil van Amsterdam (AP) vastgelegd door burgemeester Hudde van Amsterdam. Hij liet in de muur van acht sluizen in de dijk langs de zuidzijde van het IJ grote marmeren stenen inmetselen die waren voorzien van een groef ter hoogte van de bovenzijde van de dijk. Er is nog één van de stenen van Hudde overgebleven, nl. die in de Eenhoornsluis in de Haarlemmerdijk. Daarop is de volgende inscriptie te lezen: ZEE DYKS HOOGHTE, ZYNDE NEGEN VOET VYF DUYM BOVEN STADTSPEYL. Dat wil zeggen, dat de horizontale groef in de steen zich op een hoogte van 9 voet en 5 duim, ofwel 2,676 m, bevond boven het stadspeil van Amsterdam zoals dat was in 1683. Daarmee was het Amsterdams stadspeil (AP) vastgelegd. De definitie van het AP (later herdoopt in NAP) luidt vanaf 1683 tot heden: 9 voet en 5 duim beneden het merk op de dijkpeilstenen van burgemeester Hudde. Belangrijk is te weten, dat het nulniveau van het NAP (Normaal Amsterdams Peil) gelijk is aan het nulniveau van het AP (Amsterdams Peil).
De vraag rijst, met welke waterstand op het IJ het stadspeil van Amsterdam overeenkwam in 1683. Was dat de gemiddelde waterstand op het IJ of een andere waterstand? Bedenk dat het water van het IJ via de Zuiderzee en de Waddenzee in open verbinding stond met de Noordzee. Er was dus eb en vloed op het IJ. Uit dagelijkse metingen van de eb- en vloedhoogte van het IJ bij de Haarlemmersluis, uitgevoerd in 1683-1684, is bekend dat het stadspeil van Amsterdam vrijwel samenviel met de gemiddelde zomervloedstand (dus niet de gemiddeld waterhoogte) van het IJ. De gemiddelde zomervloedhoogte van het IJ bleef slechts 1,8 mm beneden het stadspeil. Het stadspeil van Amsterdam was dus zeer waarschijnlijk bedoeld als de gemiddelde zomervloedhoogte op het IJ.
Het gemiddelde verschil tussen eb en vloed op het IJ bedroeg 33,6 cm in het jaar 1683-1684. Dat betekent, dat het gemiddeld zeeniveau in die tijd 17 cm beneden Amsterdams Peil lag. Doordat de zeespiegel sinds die tijd is gestegen en het land is gedaald, ligt het gemiddeld zeeniveau langs de Nederlandse kust tegenwoordig óp of maximaal 10 cm bóven NAP (dit varieert iets van plaats tot plaats).
In de loop van de 18e eeuw, met name in de periode 1797-1812, is het AP door waterpassing vanuit Amsterdam overgebracht naar andere plaatsen in het land en daar vastgelegd door middel van peilmerken (peilschalen, merkstenen e.d.). Bij Koninklijk Besluit van 1818 is vervolgens bepaald dat het Amsterdams Peil (AP) voortaan zou gelden als referentiehoogte voor heel Nederland. In de jaren 1875-1885 werd een eerste landelijke controle uitgevoerd van de hoogte van de peilmerken. Bij deze controle ging men uit van de vijf toen nog aanwezige dijkpeilstenen van burgemeester Hudde in Amsterdam. Een aantal van de peilmerken in het land bleek toen niet (meer) op de opgegeven hoogte t.o.v. AP te liggen. Deze afwijkingen van de juiste hoogte waren het gevolg van meetonnauwkeurigheden en fouten bij oudere waterpassingen en van verticale beweging van de peilmerken. Men heeft toen nieuwe of verbeterde peilmerken aangebracht en terreinhoogten opnieuw bepaald t.o.v. deze nieuwe peilmerken. De nieuwe peilmerken en de nieuw bepaalde hoogten werden en worden vanaf 1891 aangeduid met de letters NAP (Normaal Amsterdams Peil).