RLVA zet zich al jaren in voor meer hoogstamboomgaarden in de streek. Het is erfgoed; goed voor mens en natuur.
Fruitbomen vonden we eerst terug bij vooraanstaande adellijke families en in kloostergemeenschappen. Vanaf de 2e helft van de 18e eeuw werd het algemeen om op en rond de boerderij hoogstammige fruitbomen aan te planten voor eigen gebruik of voor de lokale verkoop. Bij de grote hoeves was de boomgaard soms één of meerdere hectaren groot, terwijl bij kleinere boerderijtjes vaak niet meer dan een tiental fruitbomen groeiden. De traditionele huisweide, waarin het vee kon grazen rond de boerderij werd dus een fruitweide. De huisweiden waren meestal omzoomd met meidoorn- of hulsthagen. Die hoogstamboomgaard maakte, net als de knotbomenrijen en houtkanten, deel uit van het traditioneel boerenlandschap. In de jaren 1970 werden hoogstammen massaal gerooid en vervangen door spilbomen. Schaalvergroting, verdere specialisatie en mechanisatie zorgden voor de verdere daling van het aantal hoogstammige fruitbomen. Achteraf heeft men ingezien dat hierdoor een belangrijk deel van het erfelijk materiaal van eeuwen fruitcultuur verloren is gegaan, samen met het enorme rassenassortiment dat in de loop der eeuwen met zoveel zorg is opgebouwd.
Het fruit uit de hoogstamboomgaard valt niet alleen bij de mens in de smaak. Ook heel wat inheemse dieren zijn er verzot op. En het kleine grut dat het afgevallen fruit opruimt trekt op zijn beurt hongerige egels, mezen en kleine roofdiertjes aan. Zo ontstaat er in de boomgaard algauw een hele voedselketen. Een hoogstamboomgaard biedt bovendien zoveel meer dan alleen maar fruit. Veel vogels maken hun nest in fruitbomen. Vooral oude, knoestige bomen met holten zijn ideaal. Holenbroeders zoals boomkruiper, holenduif, mezen en spechten broeden er regelmatig. Ook het steenuiltje en de eikelmuis maken er gretig gebruik van.
De coördinaten werden opgemeten met een smarthphone.