Het spook van Annerveenschekanaal
Een zompig, somber terrein strekt zich uit zover je kunt kijken –en verder. Het moerassige veen is enorm en gevaarlijk. De verhalen van verloren reizigers zijn vele. We hebben het over de streek die we nu de ‘veenkoloniën’ noemen. Tot ca 1700 woonde hier vrijwel niemand. Een woest, onbruikbaar gebied. Langs de randen werd wel wat turf gestoken, maar verder werd het gebied onberoerd gelaten.
Rond 1700 kwam daar verandering in. Na de gouden eeuw groeide de stad Groningen en werd de –toen nog- vestingstad fors uitgebreid. Er was brandstof nodig voor de vele huizen die de vesting telde. De nabij gelegen gebieden werden door de stad Groningen ingericht voor het ontginnen van het veen. Het winnen van turf was het doel, en mogelijk zou de grond later bruikbaar zijn voor agrarische doeleinden. Om het transport van de turf mogelijk te maken het en het vele water af te voeren werden er kanalen gegraven.
Het kanaal, dat nu nog de scheiding vormt tussen de provincies Groningen en Drenthe stamt uit die tijd: het Greveling-kanaal. De stad Groningen heeft nog tot het einde van de 20e eeuw bezittingen gehad in de veenkoloniën: boerderijen, bruggen en waterwegen.
De ontginning ging niet zonder slag of stoot. Een deel van de lokale bevolking zag niets in de plannen van de grote, machtige stad achter de einder. Er ontlook verzet. Toen in 1764 door onder meer Lambartus Grevijlink voor dit doel de ‘Annerveensche Heerencompagnie’ werd opgericht en men in 1771 daadwerkelijk begon met het graven van een kanaal (dat nu het Greveling kanaal heet), barstte de bom.
Johannes Wammes Lampertz, een eigenzinnige vervener langs de randen van het gebied, toonde zich een vervent tegenstander van de veranderingen. Hij had mede –en tegenstanders en zo raakte de streek verdeeld. Toen de voorstanders van de ontginning samen kwamen in een schuur om de voortgang te bespreken, stak Johannes de koetsen en wagens waarmee men naar de schuur gekomen was in brand. Toen de eerste vlammen oplaaiden, betrapte een laatkomer de dader en Johannes werd naar het cachot gebracht.
De rechtszaak was een geruchtmakende aangelegenheid. Brandstichting was goed voor de doodstraf door ophanging, onthoofding of wurging. Hoewel het niet vaak meer toegepast werd, was de koppeling met het verzet tegen de vooruitgang snel gemaakt. Johannes werd veroordeeld tot de doodstraf. De straf werd evenwel omgezet in levenslang en Johannes zou voor altijd achter de tralies verdwijnen.
Op zekere ochtend bleek de cel van Johannes echter leeg. De vervener had zich een weg onder de muur door gegraven en was voortvluchtig. Met man en macht werd er gezocht naar de ontsnapte gevangene. Maar Johannes kende de gevaren en mogelijkheden van het veen als geen ander en zag kans uit handen van zijn achtervolgers te blijven. Men zag hem nooit weer.
De laatkomer die Johannes Lampertz betrapte bij het stichten van de brand was Lambert Schmaal. Deze ingenieur van Duitse komaf was de drijvende kracht achter de daadwerkelijke aanleg van het kanaal. Schmaal was trots op zijn werk en ging regelmatig kijken.
Op 14 maart 1772 stond hij in de vooravond aan de oever van het kanaal, op de plek waar nu deze cache ligt. Hij keek uit over zijn werken. Werklieden die verderop bezig waren met de aanleg van het trekpad langs het kanaal, zagen ineens een schim opdoemen achter Schmaal. De schim sloop naar hem toe en gaf hem een forse duw, zodat hij in het water viel. Zwemmen kon hij niet.
De verdronken Schmaal werd uit het water gehaald en op een bankje langs de oever gelegd. Zijn lichaam werd afgedekt met een wit laken. Geschrokken van wat er gebeurd was zocht men troost in het huis op de oever waar de genever rijkelijk vloeide. In donker keerde men uiteindelijk terug naar het bankje. Het lichaam van Schmaal was weg! Nergens was een spoor en het is een curieus feit dat zijn lichaam nooit gevonden is.
Vermoed wordt, dat de schim Johannes Lampertz was en dat hij wraak nam op Schmaal, die hem verraden had. Een nieuwe zoektocht naar Johannes leverde niets op…
Nu en dan wordt Schmaal nog gezien; tenminste dat denkt men. Bij bepaalde weersomstandigheden -als het ochtend is en diezig- komt hij soms boven water en kan men hem in zijn witte doodskleed zien lopen over het kanaal, trots op wat hij gemaakt heeft. Hij komt uit het niets op je af. Hij loopt wat gebogen en kijkt om zich heen, alsof hij het werk inspecteert. Sjokkend komt hij naar je toe. Als hij dichterbij komt breekt altijd ineens de zon door en is Schmaal niet meer te zien: hij lost op in het zonlicht... Een wonderbaarlijk fenomeen!
De cache is er voor het Spook Van Annerveenschekanaal, op de plek en bij het huis waar Schmaal te water raakte… Misschien kun je hem zien als je ’s ochtends in de mist op de badde staat.