in deze streek werden al veel archeologische opgravingen gedaan om zo meer over de romeinse tijd te weten te komen. Veel mooie vondsen werden er gedaan en verschillende begraafplaaatsen werden ontdekt.
Het begin van de Romeinse bewoning in Grobbendonk kan geplaatst worden rond het midden van de 1ste eeuw. De nederzetting heeft vooral in de tweede helft van de 1ste eeuw een grote uitbreiding genomen, aanvankelijk gekenmerkt door houten gebouwen. De steenbouwfase van de nederzetting, waarbij gebouwen in vakwerk opgericht werden op een stenen fundering, kan gedateerd worden vanaf het begin van de 2de eeuw. Tot nog toe werden in de vicus naast verschillende woongebouwen, bijgebouwen met waterputten, afbakeningsgreppels en kuilen, ook enkele publieke gebouwen aangetroffen. Deze omvatten drie tempels, een badgebouw en een mogelijke herberg of een stapelhuis (horreum). Artisanale activiteiten bestonden onder meer uit pottenbakken en de bewerking van ijzer. In de 2de eeuw en het begin van de 3de eeuw kende de vicus een bloeiperiode. Aan de bloeiperiode kwam in de loop van de 3de eeuw een einde.
. Dat Grobbendonk een rijk archeologisch verleden heeft is van oudsher bekend. Maar pas na het grootschalige onderzoek op de Steenakker in de tweede helft van de vorige eeuw werd de aanwezigheid van een belangrijke Gallo-Romeinse vicus aangetoond . Van 1962 tot 1970 organiseerde de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek (AVBG) verschillende opgravingscampagnes. In 1966 deed de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer en Toerisme Nete en Aa van Grobbendonk (VVV) er opgravingen. Van 1971 tot 1973, in 1977 en 1983 voerde de toenmalige Nationale Dienst voor Opgravingen, daarna Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP), een grootschaliger onderzoek uit. Werfcontroles in 1996 en 2001 door het IAP in de Hoogveldstraat toonden aan dat het areaal van de vicus in oostelijke richting nog uitgebreid kon worden. Zowel ten zuiden, ten westen als ten oosten van deze vicus werden graven aangetroffen. Het uitgraven van een kelder ter hoogte van de Schransstraat 30 in 1925 leidde tot de vondst van enkele fragmenten aardewerk en crematieresten7