IK HOU VAN HOLLAND
Welkom bij de serie “Ik hou van Holland”!
Deze art bestaat uit 99 mysterie puzzels en een bonus. De puzzels zijn een tocht langs veel bekende en onbekende weetjes over Nederland van “vroeger en nu”. De informatie voor de bonus vind je onderweg.
Voor het veldwerk wacht een fietsroute van ruim 80 km over het oostelijk deel van het eiland “Goeree-Overflakkee”, die indien gewenst op te delen is in twee ronden van ca 40 km.
Voor meer detail informatie over de hele route verwijzen we je naar de bonus https://coord.info/GC7ZVK0. Eventuele wijzigingen of problemen op de route zullen ook op deze pagina worden benoemd.
Op de route liggen ook vele andere caches, genoeg voor meerdere dagen cacheplezier.
Veel plezier met puzzelen en het veldwerk!
NEDERLANDSE ARCHITECTUUR
Alle gebouwen die ontworpen worden verwijzen naar een bepaalde stijl. Gebouwen kunnen teruggrijpen op een oude stijl, zoals in de Renaissance teruggegrepen werd op de Griekse en de Romeinse bouwstijlen, of juist een moderne stroming volgen. Welke stijl een gebouw volgt is te herkennen aan de zogenaamde stijlkenmerken, het gebruik van bepaalde technieken of vormen. Hieronder zijn de belangrijkste stijlen uit de (op Nederland toegespitste) architectuurhistorie weergegeven, voorzien van uitleg.
Klassieke Oudheid
Rond de vierde eeuw na Christus bereikt het christendom het gebied dat we nu Nederland noemen. De eerste kerken werden rond die tijd gebouwd. Daarvoor, in de Klassieke Oudheid (de tijd van de Oude Grieken en de Romeinen) worden twee bouwvormen ontwikkeld die belangrijk zullen zijn voor kerken. Dit zijn centraalbouw en de basiliek. Bij centraalbouw is het gebouw sterk gericht op het midden. Het middelpunt van het gebouw heeft meestal dan ook een grote hoogte, deze wordt door de opzet van het gebouw benadrukt. De basiliek is afgeleid van de zogenaamde basilica, die diende als markthal en beursgebouw. Deze bestond uit drie langwerpige delen (schepen genoemd) waarvan de middelste meestal wat hoger was en ramen had (de lichtbeuk). Als de basilica ook als rechtszaal diende werd aan het eind van het middelste schip een halfrond gebouwdeel toegevoegd waar de rechter zat, de absis genoemd.
Romaanse Architectuur
De Romaanse architectuur heeft vooral tussen 1050 en 1200 invloed gehad. De bouwstijl is geïnspireerd op de bouwkunst van de Romeinen, maar komt voort uit de Karongolische stijl, waarin principes uit de Romeinse architectuur werden herontdekt. De romaanse stijl wordt gekarakteriseerd door kleine rondboogvensters en decoraties met eveneens ronde bogen. De muren zijn doorgaans dik en versierd met lisenen, friezen en spaarvelden waarin eveneens ronde vormen domineren. De muren droegen het grootste deel van het gewicht van het gebouw op zich, waardoor grotere ramen niet mogelijk waren. Daarom was het in romaanse kerken altijd vrij donker. Hoewel deze kenmerken vrij algemeen zijn kent het romaans grote regionale verschillen. Bovendien maakte de stijl een geleidelijke ontwikkeling door die uiteindelijk, door de grootschalige toepassing van het kruisribgewelf, zou leiden tot het ontstaan van de gotische bouwstijl, waardoor het romaans werd verdrongen.
Gotiek
De opkomst van de gotiek in de dertiende eeuw verdrong de Romaanse stijl in grote delen van Europa. Met name in het noorden van Nederland is nog even sprake van een overgangsvorm, de romanogotiek. Door de slimme gotische bouwwijze konden er zeer hoge en goed verlichte kerken gebouwd worden, dit is te danken aan de skeletconstructie die werd toegepast. De gotiek wordt gekenmerkt door het gebruik van spitsbogen en veel ornamentiek.
De gotiek begint als bouwstijl in het jaar 1122. In de abdij van St. Denis bij Parijs, zet abt Suger een grote verbouwing in gang. De St. Denis is een prestigieuze kerk: sinds de 8e eeuw is het de plaats waar de Franse koningen worden bijgezet. Waar abt Suger zijn inspiratie voor de radicaal andere bouwwijze vandaan heeft, is niet geheel duidelijk. Waarschijnlijk is onder invloed van de Kruistochten de noodzakelijke kennis van de meetkunde van de Arabieren overgenomen, zodat men nu beter kan berekenen hoe een gebouw zich zal gedragen. Voorheen was de bouwwijze van een gebouw geheel bepaald door de ervaring van de architect, die ongeveer wist wat hij wel of niet kon bouwen.
De gotische kerken hebben evenals de romaanse een plattegrond in de vorm van een Latijns kruis. Ook andere stijlelementen van de St. Denis, zoals de met de gotiek geassocieerde spitsboog, waren al bekend in de romaanse bouwkunst. De grote verandering zit voornamelijk in het weglaten van voorheen noodzakelijk geachte bouwelementen.
Het koor werd voorzien van een serie straalkapellen waarbij de tussenliggende muren konden worden weggelaten door de toepassing van kruisribgewelf, spitsboog en pilaren. Buitenwaartse krachten, die de neiging hebben de muren naar buiten te drukken, waren in de romaanse architectuur met zijn dikke muren geen probleem, maar moesten bij deze veel lichtere constructie wel afgevoerd worden. Hiervoor werd de luchtboog verder ontwikkeld. Alzo ontstond een sterke constructie die een grotere hoogte toeliet, men kon in de gotische stijl veel hoger en ranker bouwen dan in de romaanse stijl. Waar in de romaanse kerken de muren de dragende onderdelen waren, bestond een klassiek gotische kerk uit een sterk skelet van steunberen, luchtbogen en gewelven. De ruimte die dit skelet vrijliet, kon worden opgevuld met muren met daarin bijzonder grote vensters. Deze elementen kwamen al voor in de romaanse gebouwen maar nooit allemaal samen. Zo werden de gotische kerken rank en goed verlicht.
Nieuwere tijd; renaissance en barok (1600-1800)
Vanaf de Reformatie (ca. 1580) werd openbare uitoefening van katholieke erediensten verboden. Tijdens de Republiek werd onder bewind van de prinsen van Oranje de gereformeerde kerk de heersende (staats)kerk. De gereformeerden namen de talloze middeleeuwse kerken van de katholieken over en vanaf de zeventiende eeuw bouwden zij een aantal nieuwe kerken, dat liturgisch en stilistisch nauw op hun ideologieën was afgestemd. Toen heeft de (Hollandse) renaissance een belangrijke rol gespeeld. Dit ging nauw samen met de bloei van steden als Amsterdam, Enkhuizen, Middelburg, enz., tijdens de handel door de VOC in de zeventiende eeuw of Gouden Eeuw. Er ontstond een regionale, Hollandse variant op de Renaissance, gekenmerkt door de toepassing van veel baksteen, in combinatie met natuurstenen ornamenten, onder invloed van o.a. de Italiaanse architecten Palladio en Scamozzi. Belangrijke bouwmeesters waren Hendrick de Keyser (1565-1621), Lieven de Key (1560-1627), Jacob van Campen (1596-1657) en Arent van ’s Gravesande (1610-1662). Tijdens de Reformatie hielden zij zich bezig met representatieve, gereformeerde kerkbouw. Voorbeelden: de Koepelkerk in Willemstad, de Westerkerk in Amsterdam (De Keyser), de Marekerk in Leiden (Van ’s Gravesande), de Grote Kerk in Maassluis, de Nieuwe Kerk in Haarlem, de Nieuwe Kerk in Den Haag, de Oostkerk in Middelburg en de Koepelkerk in Renswoude.
De (liberaal) Joodse gemeenschap had onder invloed van de opkomende handel in de zeventiende eeuw veel zeggenschap in Amsterdam. Dit gaf hun het privilege enkele monumentale synagogen te bouwen, waarvan de Portugees-Israëlietische Synagoge de belangrijkste is. Vrijwel alle overige synagogen uit deze periode hadden een veel bescheidener uitstraling.
In de zeventiende en achttiende eeuw bouwden de achtergestelde confessionele groepen, zoals de katholieken en de doopsgezinden, vele schuilkerken. Hoewel zij officieel van openbare godsdienstuitoefening waren uitgesloten, werden deze bouwpraktijken doorgaans gedoogd. Deze gebouwen waren onopvallend, vaak verstopt in woonhuizen of boerderijen, vandaar de naam schuil- of schuurkerken. De doopsgezinden bouwden vooral in Friesland en Noord-Holland zogenaamde vermaningen. Een voorbeeld is die van Zaandam. De best bewaarde katholieke schuilkerk is de Ons' Lieve Heer op Solder in Amsterdam. Een ander voorbeeld is de voormalige St. Rosaliakerk in Rotterdam (verwoest 1940), als barokke schuilkerk vrijwel uniek. Een zeer belangrijke oud-katholieke schuilkerk is die aan de Juffrouw Idastraat in Den Haag. Vrijwel alle schuilkerken zijn vanaf de negentiende eeuw door echte kerkgebouwen vervangen. Zie volgende paragraaf.
Barokke kerken kent Nederland vrijwel niet. Dit was bij uitstek een stijl die de katholieken tijdens de Contrareformatie toepasten, die aan de Republiek, waar de gereformeerden het voor het zeggen hadden, voorbij ging. Enkele uitzonderingen zijn de St. Luciakerk in Ravenstein, de St. Gerlachuskerk in Houthem-St. Gerlach, de St. Michaelkerk in Sittard, de Augustijnenkerk in Maastricht en de St. Agathakerk in Eys. De kerk in Ravenstein kon tot stand komen, omdat de heerlijkheid Ravenstein toendertijd tot één van de zgn. vrije heerlijkheden behoorde, waar openbare, katholieke godsdienstuitoefening was toegestaan. Zuid-Limburg bleef gedurende die periode gedeeltelijk buiten de invloedssfeer van de Republiek. Enkele delen stonden onder Spaans en Oostenrijks gezag en zodoende kon aldaar katholieke kerkbouw in barokke stijl plaatsvinden.
De vroegmoderne tijd; rationalisme, expressionisme, functionalisme en traditionalisme
Rond 1900 trad onder invloed van architect dr. H.P. Berlage (1856-1934) vernieuwing in de architectuur in. Evenals in andere landen ontstond kritiek op het vaak klakkeloos navolgen van stijlen uit het verleden. Dit werd niet als oorspronkelijk en authentiek beschouwd. Onder invloed van Berlage ontstond een nieuwe, vrij zakelijke stijl, die het tonen van de constructie voorop stelde, en overbodige ornamentiek (die de constructieve bouwwijze negeerde) wilde vermijden. Dit wordt wel rationalisme genoemd. Ook zijn heel sporadisch kenmerken van de art nouveau of Jugendstil aanwezig.
Vooral in de protestantse kerkbouw was deze stijl in trek. Architecten die in deze stijl werkten waren o.a. Tj. Kuipers (1857-1942), bekend van vele gereformeerde kerkgebouwen (voor de Dolerenden, groep van Abraham Kuyper) en B.J. Hooijkaas. Voorbeelden Koninginnekerk te Rotterdam (B. Hooijkaas) (gesloopt 1972), Remonstrantse Kerk te Rotterdam (H. Evers), Gereformeerde Koepelkerk te Leeuwarden (Tj. Kuipers) de Bergsingelkerk en Nieuwe Zuiderkerk (gesloopt 1969) van Tj. Kuipers in Rotterdam en de Nieuwe Badkapel in Scheveningen. Tj. Kuipers bouwde rond 1900 ook de Synagoge in Groningen in een tamelijk zeldzame Moors aandoende variant op het rationalisme.
De nieuwste tijd; modernisme, postmodernisme, neotraditionalisme etc.
Als gevolg van verwoestingen in de oorlog en snelle stads- en dorpsuitbreidingen moesten vele nieuwe kerken gebouwd worden, en bestaande kerken worden herbouwd. Na de Tweede Wereldoorlog won langzaam maar zeker het internationale modernisme in de architectuur terrein; in Nederland kwam deze stroming vooral vanaf de jaren 1960 op. Tot ca. 1960 bleef de kerkbouw hoofdzakelijk onder invloed van het traditionalisme staan. De katholieken zochten naar een eigentijdse moderne stijl, die toch hun traditionele en liturgische opvattingen tegemoetkwam, in feite een nieuwe variant op het traditionalisme, die we als de Bossche School aanduiden. Grondlegger hiervan was de Benedictijner monnik en architect Dom. H. van der Laan (1904-1991), die vanaf 1940 aan het Kruithuis in Den Bosch een cursus kerkelijke architectuur aan opkomende architecten gaf. De proportiesystemen van de Bossche School zijn gebaseerd op het Plastische Getal of de Gulden Snede. Stilistisch grijpt deze bouw terug op de vormgeving van vroegchristelijke en vroegromaanse kerken in Italië. Na de oorlog verrezen vele nieuwe kerken in deze stijl.
Voorbeelden: Abdij Benedictusberg te Mamelis (Vaals), H. Zoete Naam Jezus te Oeffelt, St. Martinuskerk te Gennep, beide laatste kerken ontworpen door N. van der Laan (1908-1986). Ook J. de Jong (1917-2001) werkte in Bossche Schoolstijl (St. Willibrordus Almelo, gesloopt 2005). Een variant op de modernistische katholieke kerkbouw, met als nieuw materiaal gewapend beton, is de St. Jozefkerk in Amsterdam van G.H.M. Holt (1904-1988). Vooral Limburgse architecten experimenteerden in de katholieke kerkbouw van de jaren vijftig met nieuwe vormen, innovatieve materialen en ruimteconcepten, beïnvloed door de reeds bestaande veranderde liturgische wensen. Dit is te zien bij o.a. F. Peutz (H. Moeder Annakerk in Heerlen en H. Geestkerk te Roermond), J.H.A. Huysmans (St. Jozefkerk Vaals, gesloopt 2004), J.J. Fanchamps (H. Maria Goretti Kerkrade, gesloopt 2009) en P.H. Weegels (Fatimakerk Weert).
EN DAN NU…DE PUZZEL!
Door welke architecten zijn deze bouwwerken ontworpen. De woordwaarde van de achternaam stapeltellen voor A t/m H.
Je kunt het veld coördinaat vinden op :
Noord : 51.45.(C+D)(H-G)(E-D)-6
Oost : 004.08.(E-G)(F+G)(A-B-C)-80

U kan uw oplossing valideren met certitude.