Het archeologisch onderzoek op het Grijpenveld startte in 1997. Door de aanleg van een bedrijvenzone van 45 ha werd daar een archeologische site van ongekende omvang bedreigd. Voor het onderzoek werd een samenwerkingsovereenkomst aangegaan tussen het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor Vlaams-Brabant en de Stad Tienen.
I. Noodopgraving site Grijpenveld
Het Grijpenveld bevindt zich ten zuidwesten van de stad Tienen. Met 20 ha is dit het grootste aaneensluitend gebied dat ooit in België opgegraven werd.
Het opgravingsterrein bestaat uit verschillende topografische eenheden: een gedeelte van het plateau van Avendoren, de helling naar de Menebeek en de Wijngaardberg. De zone omvat sites uit verschillende tijdsvakken: het laat-neolithicum, de vroege IJzertijd, de late IJzertijd, de Gallo-Romeinse periode en de Middeleeuwen.
II. Stand van zaken Middeleeuws Tienen
Hoewel de geschiedenis van Tienen goed gekend is aan de hand van archiefstudies, werd het middeleeuws archeologisch bodemarchief weinig onderzocht.
Het versterkte Tienen lag op de handelsweg tussen Vlaanderen en het Rijnland. Het Grijpenveld was steeds buiten de omwalling van Tienen gelegen.Het middeleeuwse sporenareaal kan opgedeeld worden in enerzijds een ambachtelijke zone gesitueerd op het plateau en anderzijds een agrarische zone op de zuidwestelijke helling van de Wijngaardberg, die voornamelijk uit een netwerk van grachten bestond.
Globaal gezien zijn de sporen voornamelijk te dateren in de 13de tot en met de 15de eeuw, in mindere mate in de 12de en 16de eeuw en jonger.
III. Ambachtelijke zone
Tijdens de zomer van 2002 werden op het Grijpenveld te Tienen twee baksteenovens opgegraven, beide naar alle waarschijnlijkheid uit de 15de eeuw, hoewel één oven mogelijk ouder is. Deze ovens bevinden zich temidden van een middeleeuws sporenareaal dat zich over meerdere hectaren uitstrekt en dat zowel grachten, greppels en (leemextractie-)kuilen omvat.
De ovens bevinden zich op een perceel dat sinds de 15de eeuw toebehoorde aan de Tafel van de Heilige Geest, ook wel Armentafel genoemd, de voorloper van het huidige OCMW. Dit perceel werd verpacht aan de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw ten Poel.
De geïnde huur voor één van de ovens werd genoteerd in de rekeningboeken van de Armentafel, waarvan de volledige verzameling wordt bewaard in het Hagelands Historisch Documentatiecentrum van Tienen.
In het rekeningboek van 1482 staat vermeld dat de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw ten Poel een grote hoeveelheid tarwe heeft betaald als pacht voor het uitbaten van een baksteenoven op een perceel, dat op het Grijpenveld kan gesitueerd worden. Het betreft het perceel F 223 grenzend aan de Molengatweg; het hoorde vanouds toe aan de Tiense Armentafel. Voor welk deel van de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Poelkerk deze oven daadwerkelijk bakstenen heeft geproduceerd moet nog uitgezocht worden.
Het betreft twee kareelovens waarvan de meest omvangrijke met een stapelruimte van 6 m x 5,5 m en de kleinste met een stapelruimte van 4,5 m x 4,20 m, ingegraven in de grond voor thermische isolatie en tevens om de oven stabiliteit te geven. Het is eveneens om redenen van stabiliteit dat de grootste oven aan één zijde een gemetste muur heeft met overwelfde stookgaten. Deze muur is gesitueerd tussen de stookkuil van waaruit men de stookkanalen van brandstof voorzag en de laadruimte waar de ongebakken bakstenen werden gestapeld. Het feit dat men moeite deed om een muur te bouwen, duidt op een permanente constructie met een zekere stabiliteit.
De ovens waren gevuld met productieafval en bakstenen afkomstig van 1 permanente muurconstructie die zich tussen de stookkuil en de laadruimte van de oven bevond.

De oven ligt op een plaats waar zowel goede klei als leem voorhanden was, op ca. 100 m buiten de toenmalige stadsomwalling, destijds Molengatvesten genaamd. Hier bevond zich geen poort, maar wel een nauwe opening of een gat in de vesten van de derde (grote) omheining (halfweg de huidige Tramstraat), die het Molengat heette. Er stond een torentje, bekend als Molengattoren. De Molengatweg waarlangs de oven gelegen was, was de verbindingsweg met de stad waarlangs bouwmateriaal kon vervoerd worden.
Wegens brandgevaar moesten ovens buiten de stadswal liggen. Toch was het belangrijk dat ze zo dicht mogelijk bij de stad lagen omdat het transport in die tijd zeer duur was. Soms werden er contracten afgesloten met de steden en werden de steenbakkers verplicht een bepaald kwantum bakstenen te produceren. De stenen die boven het kwantum werden geproduceerd, kon de steenbakker voor eigen rekening op de private markt verkopen. In ons geval diende 1 van de 2 ovens voor de productie van bakstenen voor de Onze-Lieve-Vrouw-ten-Poelkerk.
De gemiddelde grootte van de bakstenen geproduceerd door de oven op het Grijpenveld is 25,5 cm x 11 cm x 6 cm, het zogenaamde Spaans formaat, een maat die in de stad lang in gebruik is gebleven.
Indien we hypothetisch aannemen dat de bakstenen werden gestapeld tot een hoogte van 3 m, komen we voor de grote oven gelegen op het perceel van de Armentafel, tot een ovencapaciteit van ca. 27.678 bakstenen per ovenlading. Voor de kleine oven bereiken we een ovenlading van ca. 15.670 bakstenen.
Tienen kent een lange traditie van baksteenbakkers: de oudste aanwijzingen tot nog toe teruggevonden zijn kareelovens uit de 15de eeuw. De kunde zette zich verder onder de vorm van de latere veldovens en Tiense (semi-)industriële steenbakkerijen die standhielden tot in het derde kwart van de 20ste eeuw.

IV. Agrarische zone: site Wijngaardberg
De agrarische zone op de zuidwestelijke helling van de Wijngaardberg die voornamelijk uit een netwerk van grachten bestaat, kan naar alle waarschijnlijkheid gelinkt worden aan de wijnbouw. Hiervoor is in eerste instantie is een hellende bodem nodig. Brabantse heuvels, vooral diegenen waarvan de flanken naar het zuiden afhellen, zoals het geval is bij de Wijngaardberg, lenen zich uitstekend tot het verbouwen van wijndruiven. Voor de teelt van wijn is het koolstofgehalte in de bodem van belang. Dit koolstofgehalte wordt bepaald door het humusgehalte dat op de Hagelandse bodem meestal te laag is (zowel ondergronds als bovengronds). Daarom is bemesting noodzakelijk. Mits goede bemesting is de Hagelandse bodem geschikt voor de verbouwing van wijnstokken. De bodem kon het best verbeterd worden met voedermest, rivierslib of oude leem. Overbemesting kon de smaak van de wijn bederven. Er heerste een strenge reglementering: de grond die door erosie van de wijngaardhelling was afgespoeld, moest terug worden aangevoerd. Zeker bij hevige regenval kon deze erosie een grote omvang kennen. Op het grondplan is duidelijk te zien dat de top van de Wijngaardberg sterk aan erosie onderhevig is geweest, de sporen zijn daar dan ook niet bewaard.
De grachten van ons akkersysteem bevatten heel wat gefragmenteerd afval van aardewerk en dierenbeen. Vermits er geen bewoningssporen in de onmiddellijke buurt werden aangetroffen, gaat het waarschijnlijk om van elders aangevoerd afval.
Het is bekend dat ook steden en urbane centra veel afval produceren. Dit moest worden verwijderd en kon gebruikt worden als kunstmest op de akkers buiten de stad. Stadsafval werd deels verkocht aan de boeren als grondverbeteraar.
Voor het onderhoud van een wijngaard is hout nodig. Eerst groef de wijngaardier naast de wijnstokken een greppel, waarin de ranken met houtenhaken werd vastgezet, vervolgens werd de greppel terug gevuld met vette aarde en stalmest, zodat de ingegraven ranken alleen nog maar met de kopjes boven de grond uitstaken. Nadat ze hadden wortel geschoten werden ze van de moederplant gescheiden.
Rondom de wijngaard werden de percelen vaak omringd door hagen om de vruchten te beschermen tegen de wind. Er kon natuurlijk ook een muur gebouwd worden. De meest bekende is wellicht de nog bestaande muur van opgestapelde natuursteen in Wezemaal. Hiervan hebben we in Tienen op het eerste gezicht geen sporen teruggevonden, hoewel een zeer klein stenen muurtje hier mogelijk een restant van is. De grachten zijn op ca. 20 m afstand van elkaar gegraven en kunnen dus ook wijzen op een aanplanting van hagen. We kunnen dan verder veronderstellen dat binnen die perceeltjes de wijnstokken werden geplant.
Heel wat archivalische bronnen getuigen van de aanwezigheid van wijnbouw op de Wijngaardberg. In de 12de eeuw zouden in het hertogdom Brabant al wijngaarden geweest zijn. Van wijngaarden in Tienen getuigt in het bijzonder een charter van hertog Jan I van Brabant uit 1291, dan onder meer handelt over de verkoop van wijn in de stad. Vanaf het einde van de 13de eeuw tot het midden van de 18de eeuw kennen we vermeldingen van wijngaarden in de stad Tienen.Specifiek over de Wijngaardberg (de vroegere Varenberg) zijn vermeldingen bekend vanaf de eerste helft van de 14de eeuw .
Het onderzoek naar het middeleeuws materiaal is nog volop bezig. Een verhaal met een vervolg ...