svp hek weer sluiten deze is voor sluip verkeer
Het scheppingsverhaal
De Hebreeuwse Bijbel begint met twee scheppingsverhalen in Genesis, waarin God de wereld inclusief alle dieren, planten en de mens schiep.
De twee verhalen beslaan grofweg uit hoofdstuk 1 en 2 van Genesis.
Genesis 1
Genesis begint met de woorden "In het begin schiep God de hemel en de aarde", wat als een inleidende samenvatting kan worden gezien of als een beschrijving van gebeurtenissen die voorafgingen aan de scheppingsweek. Hierop volgt een beschrijving van zes scheppingsdagen. Elke scheppingsdaad begint met een scheppingswoord van God, "God zei: ...". Op de 1ste, 2de, 4de en 5de dag vindt steeds één scheppingsdaad plaats, alleen op de 3de en 6de dag vinden twee scheppingsdaden plaats op één dag. Elke scheppingsdag eindigt met de woorden "Het werd avond en het werd morgen. De eerste (tweede, derde, ...) dag".
Vers 2 beschrijft de aarde als een onherbergzame woestenij, "woest en doods" - een watervloed waarover Gods adem of Gods Geest (roeach) zweefde. Het Hebreeuwse woord voor "adem" is hetzelfde als het woord voor "geest".
De schepping heeft volgens Genesis 1 als volgt plaatsgevonden:
| Scheppingsdag |
Gebeurtenis |
| Dag 1 |
God scheidde licht en duisternis. Het licht noemde Hij dag, de duisternis noemde Hij nacht. |
| Dag 2 |
God schiep het hemelgewelf, het uitspansel, dat de watermassa onder het gewelf scheidde van het water erboven. |
| Dag 3 |
God liet het water samenvloeien. Het droge noemde Hij aarde, het samengestroomde water noemde Hij zee. Voorts liet God zaadvormende planten en bomen ontkiemen. |
| Dag 4 |
God schiep de lichten aan het hemelgewelf, zon, maan en sterren als markering voor seizoenen, dagen en jaren. Het grote licht (de zon) om over de dag te heersen, het kleine (de maan) om over de nacht te heersen. |
| Dag 5 |
God liet het water wemelen van levende wezens, en boven de aarde liet Hij vogels vliegen. En God zegende hen, opdat de vogels en de vissen talrijk zouden worden. |
| Dag 6 |
God schiep de landdieren: het vee, kruipende dieren en wilde dieren. Vervolgens besloot God de mens te maken, naar Zijn evenbeeld, om heerschappij te voeren over alle andere schepselen. God schiep eerst de mens (als hem) en in tweede instantie als man en vrouw (hen). Hij zegende ze met de woorden, "Wees vruchtbaar en word talrijk" en heers over de vissen, vogels en alle dieren die op aarde rondkruipen. Aan het eind van deze dag, na de schepping van de mens, staat er "God keek naar alles wat Hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was." |
| Dag 7 |
Op de zevende dag was Gods schepping voltooid, en rustte Hij. Die dag wordt door God heilig verklaard. |
Genesis 2
Het scheppingsverhaal in Genesis 2 is het eerste deel van de "Jeruzalemse paradijsoverlevering":.
Volgens de paradijsvertelling schiep God de hemel en aarde, maar was er op de hele aarde nog geen plant of struik opgeschoten, want het had nog niet geregend en er waren nog geen mensen om de aarde te bewerken. Uit de aardbodem maakte Hij de mens en plantte een tuin in Eden in het oosten. In het midden stond de boom des levens en er groeide ook een boom van de kennis van goed en kwaad. Hij zette de mens in de tuin en verbood hem te eten van de boom van kennis van goed en kwaad.
God vond het niet goed dat de man alleen zou blijven en wilde een helper voor hem maken. Daarom maakte God alle in het wild levende dieren en vogels. De mens kreeg als taak alle dieren een naam te geven, dus God bracht alle dieren voor de mens, maar een helper vond deze niet. Daarom liet God de mens in een diepe slaap vallen, nam een rib weg en bouwde daarvan een vrouw. De mens herkende haar als 'zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees'. De man en vrouw waren naakt, maar schaamden zich niet.