Elk jaar trekken vele vogelsoorten weg omdat ze bij ons in de winter geen voedsel meer vinden. Veel vogels die in de zomer leven van insecten, kikkers, wormen,… zoeken in de herfst warmere oorden op. Tot in Centraal- en zelfs Zuid-Afrika vliegen boeren-, huis- en gierzwaluw, grasmus, koekoek, wielewaal, ooievaar, wespendief, boomvalk en nachtegaal om te overwinteren en in het voorjaar terug te keren naar hun broedplaats hier bij ons.
Maar door de klimaatopwarming kiezen steeds meer vogels ervoor om in de winter toch maar hier te blijven. We zullen trekvogels dan ook vaker opmerken tijdens een wandeling in eigen streek.
Zoek in elke cache het bijhorend cijfer.
De bonus vind je op
N 51° 02 tjiftjaf – blauwborst – roodborst
E 03° 49 nachtgaal – zwaluw – koekoek

De meest wijdverspreide zwaluwsoort is de boerenzwaluw, een opvallende verschijning door zijn blauwzwarte verenkleed met lange buitenste staartveren. De zwaluw leeft in nabijheid van de mens. Koppels bouwen hun nest van modder vermengd met speeksel in allerlei menselijke bouwwerken zoals schuren en bruggen. Vrijgezelle mannetjes zijn erg competitief en in hun drang om nageslacht te kunnen verwekken doden ze geregeld de jongen in een nest. Het vrouwtje verlaat na de dood van haar kroost haar oude partner en paart dan met een ander, meestal met het mannetjes dat haar nakomelingen heeft omgebracht. In de broedperiode wordt doorgaans een tweede broedsel grootgebracht en soms zelfs een derde. Mannetjes uit het eerste broedsel helpen vaak hun ouders met het uitbroeden van de eieren en het verdedigen en repareren van het nest, dat vaak ook in latere jaren nog wordt gebruikt.
De zang van deze vogels is een voortdurend kwetteren dat ook in de vlucht gehoord kan worden. Zwaluwen zitten vaak op gespannen draden en leven vrijwel altijd in groepen van soortgenoten.