Deze cache maakt deel uit van de reeks "De Holle Wegen van Vilvoorde". Natuurpunt en stad Vilvoorde bieden ons een heel mooie ontdekkingswandeling - deze vindt u door op de volgende link te klikken.
In het zuidwesten van Vilvoorde ligt de waardevolle vallei van de Tangebeek. Langs dit moerassige natuurgebied vindt je verschillende stukjes holle weg terug die vroeger kilometers lang waren…
Holle wegen langs de vallei van de Tangebeek…
Holle wegen zijn belangrijke en waardevolle stukjes natuur. Door de uitbreiding van woonzones en wegen geraakten ze in de loop van de vorige eeuw in verdrukking. De holle wegen verwilderden geleidelijk omdat het natuurbeheer door landbouwers verdween. Daarom besloot de Stad Vilvoorde om samen met Natuurpunt deze pareltjes te restaureren en te beschermen. Natuurliefhebbers en wandelaars kunnen zo opnieuw genieten van wat hen toekomt.
Hoe herken je een holle weg…
Het wegdek van een holle weg ligt minstens een halve meter lager dan het omringende land. Het uitgeholde karakter is de meest zichtbare eigenschap. De bermen zijn meestal grazig, bebost of met struiken begroeid. Het ontstaan van holle wegen hangt af van het samenspel tussen mens en natuur. Een geschikt reliëf is zeker nodig. Hoogteverschillen laten toe dat het regenwater de bovenste grondlaag afvoert. De bodem moet toelaten dat sterk hellende wanden makkelijk gevormd worden. Leem, zandleem en kalksteen zijn hier erg geschikt voor. Een holle weg verbindt bijna steeds een hoger gelegen plateau met een valleigebied. Veel holle wegen zijn ontstaan als gevolg van transport tussen woonkernen en landbouwgebieden.
Een thuis voor plant en dier
In een holle weg zijn de levensomstandigheden gunstig voor plant en dier. Op de ene plaats is het warm, zonnig en droog, wat verder kil, donker en vochtig. De grond langs het wegdek kan voedselrijk zijn, terwijl de berm misschien zeer schraal is. Deze verschillen vormen de grootste rijkdom van deze kleine landschapselementen.

De groene bouwstenen van een holle weg
Een holle weg kan uit verschillende plantenlagen bestaan. De boomlaag wordt bijvoorbeeld gevormd door beuken, lindebomen, zomereiken en olmen. Overdag houden de boomkruinen de felle zon tegen en ’s nachts voorkomen ze een sterke afkoeling. De struiklaag bestaat uit heesters en kleine bomen zoals sleedoorn, meidoorn, vlier, rode kornoelje en hondsroos. De wortels van bomen en struiken verstevigen de bodem. In de kruidlaag komen normaal gezien planten voor die door bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op akkers en weiden verdwenen zijn. Het betreft vooral speenkruid, nagelkruid, gevlekte aronskelk of gele dovenetel. Brandnetel, braam, bereklauw en fluitekruid komen vaak voor in voedselrijke holle wegen langs bemeste landbouwgronden. De moslaag wordt tenslotte gevormd door half verteerde bladeren, mossen en paddestoelen. Deze laag vormt een beschermende mantel over de bodem en kan grote hoeveelheden water vasthouden. Hierdoor droogt de bodem minder snel uit. Holle wegen waar men deze vier lagen in terugvindt behoren meestal tot het bostype. Ontbreken bomen en struiken dan hoort de holle weg een grazig type te zijn.
