Dit is een mystery cache. Op de coördinaten bovenaan de listing is niets te vinden. Los de puzzel op!
De geschiedenis van de Nederlandse gulden, toen nog florijn geheten, gaat terug tot 1252. Deze gouden munt had op de ene kant een afbeelding van de stadspatroon Sint Jan (Johannes) de Doper en op de andere kant de lelie, het wapen van de stad Florence. De munt werd in geheel West-Europa nagebootst, in de Nederlanden voor het eerst door Jan III van Brabant. In 1378 kwam de Hollandse gulden van graaf Willem V in omloop. Daarna voerden verschillende vorsten en heersende edellieden hun eigen gulden in, die in het begin bijna allemaal een afbeelding van St. Jan droegen. Vrijwel alle Nederlandse gewesten sloegen aan het einde van de 15e eeuw hun eigen guldens.
In 1517 voerde keizer Karel V de naar zichzelf genoemde gouden carolusgulden in, die weldra kortweg gulden werd genoemd. In 1543 volgde een zilveren exemplaar, dat tot 1680 gold als de eenheidsmunt voor de Zeventien Provinciën. De zilveren carolus was de eerste munt met een 'kop' en een ‘munt’. Op de voorzijde stond namelijk het portret van de keizer afgebeeld. De carolus was onderverdeeld in 20 stuivers, die op hun beurt elk weer bestonden uit 8 duiten of 16 penningen. Onder Karels opvolger koning Philips II is de aanmunting van deze guldens niet meer voortgezet. De term gulden als aanduiding voor een bedrag van 20 stuivers heeft echter nog tot het einde van het guldentijdperk in 2001 als rekeneenheid gediend.
Belangrijk om te vermelden is dat munten in die tijd nog niet perfect rond waren. Ook hadden ze nog geen kartelrand of randschrift. Munten werden ‘geslagen’ uit een plaat zilver met behulp van moederstempels. Een muntenmaker monteerde de keerzijdestempel op zijn aambeeld en de voorzijdestempel op een korte steel. De plaat zilver werd tussen de beide stempels gelegd en de munt werd met een paar ferme klappen van de hamer geslagen. Het resultaat was een prima munt met een afbeelding in reliëf aan beide zijden, maar met heel wat onvolkomenheden en nooit 100% identiek.
Munthuis (eind 15e eeuw). Op de achtergrond de muntmeester, op de voorgrond zijn muntenmakers.
In de late 16e eeuw (de periode waarin dit verhaal zich afspeelt) ontleenden munten hun waarde voornamelijk aan het edelmetaal waaruit ze waren vervaardigd. De omsmeltwaarde van de munt was dus ongeveer even hoog als de waarde die erop stond. Het grote nadeel van munten, waarvan de intrinsieke waarde ongeveer gelijk is aan de nominale waarde, is dat het voor kwaadwillende lieden aantrekkelijk was om stukjes van de rand af te knippen. Dit noemt met het snoeien van de munt. De gesnoeide munt was daarmee feitelijk minder waard geworden, maar werd uiteraard weer voor vol uitgegeven. Het snoeisel werd verzameld en omgesmolten tot een klompje zilver, dat gemakkelijk kon worden doorverkocht. Een lucratief werkje, maar uiterst illegaal en een misdrijf waarop zeer strenge straffen stonden.
Vanwege het vele snoeien werden munten ter controle periodiek gewogen: een juist gewicht bij een goede dikte en diameter betekende een complete munt. Door onderdompeling in een vloeistof kon nagemeten worden of het volume van de munt nog wel juist was. Pas veel later, halverwege de 18e eeuw, werd het snoeien bemoeilijkt door munten te voorzien van een kartelrand. Snoeien viel daardoor veel meer op. De hogere denominaties werden toen ook van een randschrift voorzien (bijvoorbeeld ‘God zij met ons’). Het snoeien van munten hield echter pas op toen men in de 19e eeuw goedkopere metalen ging gebruiken voor het vervaardigen van munten.
Wat nu volgt is fictie. Personen hebben echt bestaan, maar het verhaal is verzonnen en bevat zowel historische als chronologische onjuistheden.
In 1573 betrok Jan Corneliszoon Pieters op 25-jarige leeftijd zijn winkel met werkplaats aan de Nobelstraat 23 te Den Briel. Een verstandige zet, want de stad was ruim een jaar eerder terugveroverd op de Spanjaarden en bevond zich in een bloeiende welvaartsfase. Jan Corneliszoon was koperslager en geboren en getogen in Maeslandsluys (het huidige Maassluis). Het bewerken van koper was hem met de paplepel ingegoten door zijn vader, Cornelis Janszoon Pieters. Als kleine jongen al liep hij rond in het atelier van zijn vader, waar hij geboeid de processen van het knippen, buigen, solderen en felsen (ombuigen) van grote platen koper bekeek. Vader was gespecialiseerd in het maken van grote ketels en metalen dakbedekkingen. Zwaar werk, dat in die tijd echter veel aanzien had en een gegarandeerde bron van inkomsten vormde. Zelfs in oorlogstijd verdiende vader een goede boterham voor zijn gezin.
Toch was Jan Corneliszoon grotendeels ongeschoold. Als oudste zoon werkte hij al op 12-jarige leeftijd volledig mee in het atelier, waar hij zich langzaam maar zeker ontwikkelde tot een koperslager van formaat. In tegenstelling tot zijn vader was Jan Corneliszoon zeer bedreven in het maken van gedetailleerde houten matrijzen (mallen), waarmee fijne sier- en gebruiksvoorwerpen konden worden gemaakt. Anders dan in de rest van het nog altijd bezette Holland was in het welvarende Den Briel veel vraag naar mooie koperen gebruiksvoorwerpen. De rijken wilden zich maar wat graag onderscheiden en waren altijd op zoek naar kwaliteitsproducten, of deze nu van glas, edelmetaal of koper waren gemaakt. Waar vader succesvol was met het maken van grove ketels, specialiseerde Jan Corneliszoon zich meer en meer in het maken van sierlijk keukengerei. Prachtig ontworpen theeketels, theepotten, kommen en tafelgerei kwamen van zijn hand en al gauw stond ‘In den Kooperen Ketel’, zoals hij zijn werkplaats had genoemd, in de wijde omtrek bekend als een winkel waar notabelen graag even rondneusden om hun slag te slaan. De zaken gingen zo voorspoedig, dat Jan Corneliszoon al spoedig behoorde tot de gegoede burgerij van Den Briel en daarmee toetrad tot zijn eigen doelgroep.
Het paradepaardje van Jan Corneliszoon: zijn koperen theeketel
In de vroege zomer van 1578 maakte Jan Corneliszoon zijn jaarlijkse bezoek aan Maeslandsluys om zijn familie te bezoeken. Een week lang verbleef hij in herberg De Moriaan, gelegen naast de werkplaats van zijn vader. Het was in deze herberg dat hij de Hollandse muntmeester Jacob Janszoon de Jonge uit Dordrecht ontmoette. Jan Corneliszoon en Jacob Janszoon konden goed met elkaar overweg. Meerdere avonden werden doorgebracht aan de stamtafel, waar de heren tot in de vroege uurtjes discussieerden over actuele onderwerpen, zoals het naderende einde van de Spaanse overheersing, de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje en het groeiende aantal steden en gewesten dat zich aansloot bij de Unie van Utrecht.
Natuurlijk waren Jan Corneliszoon en Jacob Janszoon ook geïnteresseerd in elkaars vakgebied. Beide heren waren ambachtslieden die werkten met zachte metalen, en er vond op dat moment een ware opmars van nieuwe technieken plaats. Als muntmeester van Holland was Jacob Janszoon al enige jaren eindverantwoordelijk voor de productie van de “Leeuwendaalder”. Deze grote zilveren munt was tweeëneenhalf jaar geleden, in 1575, ingevoerd door de opstandige provincies in de Nederlanden. Het wapen en de lijfspreuk van koning Philips II ontbraken op de munt. In plaats daarvan stond de Hollandse leeuw afgebeeld.
Leeuwendaalder uit 1585
Al tijdens hun eerste avond vertelde Jacob Janszoon enthousiast over het unieke ontwerp van deze nieuwe provinciale munt. Het gewicht bedroeg 27,68 gram bij een zilvergehalte van wel 75%. De munt had een koers van 32 stuivers, drie stuivers boven de intrinsieke waarde van het zilver. Deze drie stuivers vloeiden direct in de staatskas en werden beschouwd als een belasting ten bate van de oorlogsvoering tegen Philips II. Het snoeien van de munt werd bemoeilijkt door een omschrift op de voorzijde: MO NO ARG ORD HOL (Latijn voor: nieuwe zilveren munt van de Staten van Holland). Ook op de achterzijde stond een omschrift: CONFIDENS DNO NON MOVETUR (wie op God vertrouwt is standvastig). Een geniale zet, waarmee het groeiende probleem van snoeien grotendeels tot het verleden zou moeten behoren. Een randje metaal afknippen zou direct opvallen en met beschadigde letters was de munt niets meer waard.
Hiermee was de professionele interesse van Jan Corneliszoon gewekt. Als succesvol winkelier had hij in de loop der jaren honderden gesnoeide munten ontvangen en hij wist hoe tijdrovend het was om ze bij ontvangst stuk voor stuk op gewicht en afmeting te controleren. Het was een groeiend probleem, al had hij vroeger zelf ook weleens een randje van een zilveren carolus geknipt, gewoon om te ontdekken hoe moeilijk dat nu eigenlijk was. Welnu, met de juiste instrumenten in huis was dat kinderlijk eenvoudig. Natuurlijk had hij niets met het afgeknipte randje zilver gedaan. Op valsemunterij stonden zeer zware straffen. Zeker als de beeltenis van de muntheer werd aangetast, werd valsemunterij beschouwd als majesteitsschennis en werden daders ter dood veroordeeld of in het gunstigste geval voor het leven verbannen uit de Republiek.
Op de Leeuwendaalder stond echter geen monarch afgebeeld. Op de voorzijde stond een anonieme ridder met een wapenschild, op de keerzijde de Hollandse leeuw. Toch moest Jan Corneliszoon erkennen dat het snoeien van een Leeuwendaalder door de beide omschriften inderdaad ernstig bemoeilijkt werd en weinig lucratief was. Op zijn vraag of de Leeuwendaalder hiermee echt veilig was, vertelde Jacob Janszoon dat de productie aan zeer strenge controles onderhevig was. Iedere muntmeester had van zowel de voorzijde als de keerzijde slechts 1 moederstempel in bruikleen en in het Dordtse Munthuis, waar Jacob Janszoon de Leeuwendaalder sloeg, hing aan de binnenmuur een gesloten en verzegelde muntbus met een gleuf, waarin alle Dordtse muntenmakers op elk uur van hun werkdag een nieuw geslagen munt moesten gooien. Deze munten werden door de Staten minutieus geteld en gecontroleerd op het muntmeesterteken, de diameter en het zilvergehalte. Afwijkingen en onvolkomenheden moesten zich binnen een strikt vastgestelde tolerantiegrens bevinden, anders kostte het Jacob Janszoon zijn licentie. Ook het gewicht van de Leeuwendaalder werd door de Staten gecontroleerd: nieuw geslagen munten werden verpakt in zakken van 600 stuks. Dit aantal werd nauwkeurig nageteld en elke zak werd zorgvuldig gewogen voordat hij het munthuis verliet.
Muntenmakers aan het werk (eind 16e eeuw)
Toch was er onlangs een omvangrijke zwendel met de Leeuwendaalder ontdekt, zo vertelde Jacob Janszoon. Een Gelderse muntmeester liet door zijn muntenmakers bewust te zware munten slaan door hen een iets dikkere plaat zilver te geven. De munten hadden op het oog dezelfde afmeting als de standaard Leeuwendaalder, maar wogen elk 5 gram meer. Daarnaast liet de muntmeester lichtere munten slaan, die zich nog net binnen de tolerantiegrens bevonden. De zware en de lichte munten werden in zo’n verhouding gemengd, dat een standaard zak van 600 munten precies het juiste gewicht had. De zakken gingen vervolgens naar een bevriende geldhandelaar in Amsterdam, die de te zware munten er met behulp van een nauwkeurige muntenbalans uitfilterde. De lichte munten verdwenen in het normale betalingsverkeer, de zware munten liet hij door de Gelderse muntmeester opnieuw vermunten tot nieuwe en lichtere exemplaren. Door de grote hoeveelheden daalders die hiermee gemoeid waren was de winst aanzienlijk en deze werd uiteraard door de beide heren verdeeld. Een lang leven was deze lucratieve handel trouwens niet beschoren: een leerling van de muntmeester praatte zijn mond voorbij en de zwendel werd ontdekt. Beide heren verdwenen voor lange tijd achter de tralies. Vanaf dat ogenblik werd ook de dikte van iedere Leeuwendaalder gemeten en was de controle op de munt 100% waterdicht.
Jan Corneliszoon luisterde geboeid naar het pleidooi van zijn tafelgenoot. Hij was een eerlijk burger, maar de stellige overtuiging van zijn tafelgenoot dat er met de nieuwe munt niet gesjoemeld kon worden prikkelde zijn verbeelding. In zijn achterhoofd begon iets te borrelen, maar daarover vertelde hij Jacob Janszoon wijselijk niets. Goed, de controle aan de productiekant leek waterdicht, maar hoe zat het als de munt eenmaal in het betalingsverkeer was? Het snoeien van de munt was inderdaad bij voorbaat weinig lucratief. Door de ronde omschriften was het veel te opvallend, te arbeidsintensief en te weinig winstgevend om stukjes van de rand af te knippen. Het was hem echter al eerder opgevallen dat Leeuwendaalders, die toch nog niet zo heel oud waren, er al behoorlijk verweerd uit konden zien. Veel meer dan de wat dikkere carolusguldens die al sinds 1543 werden geslagen door de Spaanse overheid in de Nederlanden. Weliswaar waren dit normale gebruikssporen, maar dat afgesleten zilver moest ergens gebleven zijn. In de avonden die volgden stelde Jan Corneliszoon zonder argwaan te wekken nog enkele vragen en uit de antwoorden van Jacob Janszoon kon hij opmaken dat Leeuwendaalders nimmer werden afgekeurd, mits bij weging het gewicht in orde was en de omschriften onbeschadigd waren. Op zijn laatste avond in herberg De Moriaan was het plan in het brein van Jan Corneliszoon voltooid. Hij nam afscheid van Jacob Janszoon en bedankte hem hartelijk voor de fijne gesprekken. De volgende ochtend zei hij zijn familie weer voor een jaar gedag en stapte vol ideeën op de veerboot van Jan Koppestok. Terug naar Den Briel!

Het plan van Jan Corneliszoon was even eenvoudig als geniaal. In zijn winkel ontving hij op een goede dag wel 10 Leeuwendaalders. Dat waren er zestig per week. Als hij het reliëf van deze munten voorzichtig kon laten slijten, zonder de omschriften te beschadigen, hoefde hij alleen maar het afgesleten zilver op te vangen. Eén munt zette natuurlijk geen zoden aan de dijk, maar 60 munten zouden vast wel wat afgesleten zilver opleveren. Eenmaal thuis nam hij direct de proef op de som. Hij vulde een koperen waterketel voor een kwart met stenen, die hij zojuist bij de aanlegplaats van de veerboot had verzameld. Daarna voegde hij 10 Leeuwendaalders toe en vulde water bij tot de ketel voor ongeveer de helft gevuld was. Aan het hengsel bevestigde hij een touw, dat hij over de zolderbalk van de werkplaats wierp. Nu kon hij de ketel voorzichtig laten slingeren, zodat de stenen en de munten in de ketel door elkaar heen buitelden. Af en toe gutste er wat water over de rand en de rollende stenen maakten een hels kabaal, maar daar zou hij later wel een oplossing voor bedenken.
Na een uur slingeren kreeg hij pijn in zijn armen en hij besloot om het resultaat te bekijken. Hij goot de inhoud van de waterketel voorzichtig over in een andere ketel, waarover hij een fijnmazig doek had gespannen en wachtte tot al het water was weggesijpeld. Een paar Leeuwendaalders lagen bovenop de stapel en waren blinkend schoon gepolijst. Iets te schoon naar zijn zin, maar de randen zagen er slechts licht beschadigd uit. Het reliëf van de munten was inderdaad flink afgenomen, maar dat zag alleen iemand die daar speciaal naar keek. Hij verwijderde de stenen en de overige munten en bekeek het doek in het licht van zijn olielamp. Opgetogen zag hij dat daarop inderdaad piepkleine stukjes blinkend metaal lagen! Voorzichtig verzamelde hij ze met een borsteltje, liet het natte hoopje drogen en woog het met zijn muntenbalansje. De uitkomst viel hem eigenlijk nogal tegen: een uurtje slingeren had hem ongeveer 3 gram snoeisel opgeleverd. Een snelle rekensom leerde hem dat dagelijks een uurtje slingeren hem jaarlijks zo’n 9 ons snoeisel zou opleveren. Bij de huidige koers van ongeveer een stuiver per gram betekende dat het equivalent van zo’n 31 Leeuwendaalders per jaar. Een fors bedrag, maar niet genoeg om zijn leven voor te riskeren.
Werkplaats van een koperslager
Jan Corneliszoon liet zich niet ontmoedigen door zijn tegenvallende eerste experiment. De volgende dag maakte hij een perfect passend koperen deksel, waarmee hij de ketel hermetisch kon afsluiten. Niet alleen bracht dit de geluidsproductie aanzienlijk terug, nu kon hij de ketel ook harder laten slingeren zonder dat er water uit de ketel gutste. Harder slingeren betekende dat de stenen en munten meer buitelingen maakten en harder met elkaar botsten. Wellicht te hard en dus verving hij de stenen door kiezels. Hij wilde de randen van de munten immers niet te veel beschadigen en aan kromme daalders had hij ook niets. De volgende avond was het resultaat na twee uurtjes slingeren al wat beter: zijn muntenbalansje gaf nu 4,1 gram snoeisel aan, een kwart meer dan gisteren. De blinkend schone Leeuwendaalders wreef hij licht in met een mengsel van turf en steengruis. Daarna legde hij ze boven een kom water bij de haard. Door de hoge luchtvochtigheid zou het zilver sneller oxideren. Binnen een paar dagen hadden de munten hun oorspronkelijke kleur terug en kon hij ze onopvallend uitgeven.
In de dagen die volgden deed Jan Corneliszoon veel nieuwe experimenten. Hij soldeerde koperen schoepen in de ketel, die de inhoud bij de opwaartse slingerbeweging omhoog stuwde. Bij de neerwaartse beweging vielen de steentjes en munten daardoor harder en dit leverde hem een extra gram snoeisel op. Daarnaast gebruikte hij verschillende afmetingen stenen, deed meer of juist minder water in de ketel en slingerde variërend van een uur tot wel 4 uur lang. Overdag slingeren lukte hem niet, daarvoor was zijn winkel te druk bezocht en tevens moest hij productief blijven om zijn omzet te garanderen. Na een paar weken had hij de juiste balans gevonden: twee uur slingeren met steeds 10 Leeuwendaalders leverde hem nu 5,3 gram snoeisel per keer op. Bijna 1,6 kilo per jaar. Met een gelijkblijvende koers stond dat gelijk aan 52 Leeuwendaalders. Helemaal niet gek! Dat was een heel jaarsalaris van bijvoorbeeld een Brielse kaailoper die, dag in dag uit, zakken van wel 90 kilo de pakhuizen in en uit moest sjouwen. Of het halve jaarsalaris van zijn buurman Rochus, de stadstimmerman. Die verdiende met zijn specialistische kennis over dammen en sluizen zo’n 100 Leeuwendaalders per jaar.
Intussen had hij al heel wat snoeisel verzameld. Omdat hij bang was dat de flinterdunne stukjes metaal zouden vervuilen of kwijtraken, besloot hij om er ronde kogels van te gieten. Die kon hij gemakkelijker opslaan en later ook eenvoudig verhandelen. Hij maakte een houten matrijs en goot elke maand in de werkplaats een paar kogels. Die bewaarde hij in een afgesloten koperen doosje, dat hoog en droog op zolder stond.
Matrijs voor het gieten van kogels
Maanden gingen voorbij en de verzameling kogels groeide gestaag. Tot Jan Corneliszoon in maart 1580 een gerucht opving waarbij hem de schrik om het hart sloeg… In dat voorjaar werd in Nijmegen namelijk een loopjongen van de muntmeester van Batenburg gevangen genomen. Hij bleek een wambuis te dragen waarin honderden plaatjes zilver waren genaaid. De jongen gaf toe dat hij vaker zo’n lading zilver ophaalde en bij zijn baas, de muntmeester, moest afleveren. De muntmeester werd opgepakt en na vele martelingen bekende hij dat hij omgesmolten snoeisel opkocht en gebruikte om er voor eigen gewin nieuwe munten van te slaan. De Staten van Holland waren furieus en besloten om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen: de arme loopjongen werd vrijgepleit, maar de muntmeester werd levend gekookt in hete olie, in een speciaal daartoe vervaardigde ketel. Uiteraard verspreidde dit vonnis zich als een lopend vuurtje door de Nederlanden.
Jan Corneliszoon kon zijn oren niet geloven. Het afschuwelijke relaas over de muntmeester leek in veel op zijn eigen verhaal. Pas nu besefte hij echt wat de gevolgen van zijn malafide praktijken konden zijn. Een paar nachten sliep hij slecht. Voortdurend dacht hij aan de afschuwelijke dood van de arme Gelderse muntmeester. Wat moest hij doen? Zijn snoeipraktijken waren nog niet ontdekt, dat wist hij vrijwel zeker. Maar wat als iemand ’s avonds naar binnen gluurde en hem betrapte? Wellicht kon hij zichzelf daar nog wel uitpraten, maar als het zilver op zolder werd ontdekt zou hem zomaar hetzelfde lot als de Gelderse muntmeester kunnen wachten. Intussen bleef het uitgesproken vonnis het gesprek van de dag. Niet zelden moest Jan Corneliszoon zich, als gerespecteerd ondernemer, uitspreken vóór het strenge vonnis van de Staten. Winkeliers en geldhandelaren droegen immers de grootste risico’s, op welke manier munten dan ook gedevalueerd werden. Maar in zijn hart gruwelde hij en vond hij de straf buiten alle proporties. Na weer een slapeloze nacht nam hij een besluit: het was hem het risico niet waard en hij kon beter wachten tot de lucht wat geklaard was. De koperen waterketel met schoepen was belangrijk bewijsmateriaal. Deze zou hij daarom omsmelten en verwerken tot een nieuw product. De koperen doos met kogels was nog veel gevaarlijker en deze zou hij daarom ver van huis verstoppen op een plek waar hij hem later zou kunnen terugvinden.

In de ochtend van zondag 30 maart 1580 haalde Jan Corneliszoon een paar keer diep adem en verliet toen resoluut zijn werkplaats. Diep weggestopt in zijn lange mantel zat de koperen doos met wel 30 zilveren kogels verstopt. Eerder die week had hij aan de oever van de Maes de perfecte verstopplaats voor zijn hoogst illegale buit gevonden. In het getijdengebied van de rivier lagen grillige, brede kreken, waar talloze zwanen broedden en een ware jungle van wilgenbos was ontstaan. Er stonden ontelbaar veel grillig gevormde bomen, waarin hij gemakkelijk een koperen doos kon verstoppen.
Vandaag wilde Jan Corneliszoon echter in geen geval gezien worden in de buurt van de Maes. Hij besloot daarom om niet via de Noordpoort, maar via de Zuidpoort de stad te verlaten. Te midden van de stroom kerkgangers, die op op weg was naar de Bedevaartskerk in de ambachtsheerlijkheid Rugghe, liep hij de poort uit, waarbij hij de poortmeester vriendelijk groette. Jan Corneliszoon was door zijn succesvolle onderneming een bekende Briellenaar geworden en hij was er vrij zeker van dat de poortmeester het zich zou herinneren als hem later (onverhoopt) gevraagd werd of hij Jan Corneliszoon naar buiten had zien gaan. Na enkele honderden meters in zuidwestelijke richting gelopen te hebben stapte Jan Corneliszoon onopvallend uit de stroom kerkgangers en sloeg, buiten het zicht van de stad, linksaf de polder Nieulant in. Parallel aan de Kaaivest liep hij naar de Veckhoecksche Ringdijk, die hij alleen maar hoefde uit te lopen om het getijdengebied te bereiken.
Gelukkig waren de omstandigheden ideaal. Het was zo'n typisch zonnige maar koude voorjaarsdag met een staalblauwe lucht en een ijzige wind, die je tot op het bot kon verkleumen. Wie buiten niets te zoeken had bleef lekker binnen bij de haard en zo bereikte Jan Corneliszoon volledig ongezien zijn verstopplek. De koperen doos paste wel een el diep in de voet van de jonge, markante schietwilg die hij had uitgezocht om zijn buit te verstoppen. Hij stopte de doos zo diep mogelijk weg en bedekte hem nog met wat stukken boomschors. Tevreden liep hij nog eens om de boom heen. Zijn buit lag hier volkomen veilig en kon met geen mogelijkheid naar hem worden herleid. Bovendien stond de wilg op zo'n opvallende plek dat hij die later, als alle ophef weer een beetje was weggeëbt, gemakkelijk kon terugvinden. Op de terugweg liep hij in een perfect rechte lijn naar zijn werkplaats en hield onderweg zijn passen nauwkeurig bij. Vanaf de schietwilg naar zijn winkel liep hij exact 356 Brielse landroedes en 3 voeten. Ook de richting hield hij bij. Deze was niet pal west, maar heel veel scheelde het niet: ongeveer 3,45 graden onder west ten zuiden. Toen hij zonder problemen weer terug was in zijn winkel slaakte hij een zucht van verlichting. Er was een loodzware last van zijn schouders gevallen en hoewel het pas laat in de middag was, viel hij voor het eerst in lange tijd als een blok in slaap.

Niet lang daarna liep Jan Corneliszoon in zijn winkel de liefde van zijn leven tegen het lijf. Nog geen jaar later trouwde hij en binnen zes jaar werden er vier kinderen geboren. Zijn lieve vrouw bleek een zeer goede handelsgeest te hebben en ‘In den Kooperen Ketel’ groeide uit tot een gerenommeerd handels- en productiebedrijf van koperen artikelen. In 1585 had Jan Corneliszoon al vijf leerlingen in dienst en een jaar later trad hij toe tot het Hollandse Gilde van Koperwerkers. Niet alleen verwierf hij daarmee het alleenrecht om in Den Briel het ambacht van koperslager te mogen uitoefenen, ook gaf hem dit veel maatschappelijke en sociale zekerheden. Het gilde ondersteunde haar leden immers tot de dood toe, ook wanneer men door ziekte of ouderdom niet meer kon werken. In de jaren die volgden dacht Jan Corneliszoon nog weleens terug aan de koperen doos met zijn geheime voorraad zilveren kogels, maar na verloop van tijd kon hij zich niet meer voorstellen dat hij zich ooit had ingelaten met dit soort malafide praktijken. Eerlijkheid duurt het langst en hij besloot dat het zilver daarom zou toekomen aan de eerlijke vinder. Nooit keerde hij terug naar zijn geheime voorraad en nog altijd ligt de koperen doos verstopt op de verlaten plek die Jan Corneliszoon bijna 450 jaar geleden heeft uitgezocht.

You can validate your puzzle solution with certitude.