|
De Venrayse Schaapscompagnieën… Vóór de komst van het bos was dit gebied bespikkeld mat schapen. Hei en schapen horen bij elkaar. Al in 1793 graasden er meer dan 2000 schapen rond Venray. Hun poep, vermengd met heideplaggen, leverde goede mest voor de akkers op. Daarnaast zorgeden zij voor wol en vlees. De vleeshandel werd zo belangrijk dat de "Heren" van Venray in de 19e eeuw compagnieën oprichtten die schapen verhandelden tot in Parijs en Londen!
Tussen 1800 en 1910 moeten er rond Venray ruim 60 schaapskooien hebben gelegen, opvallende plekken in het open landschap vanwege hun windscherm van grove dennen.

Historie en het verhaal van het Schieëperskruus…De schaapsherders bleven de hele zomer op de heide. Ze konden op zondag niet naar de kerk, want het dorp was ver en de kudde kon niet alleen gelaten worden. Eén van hen stak daarom op deze plek met zijn Schieëpersschuke een groot kruis uit. Hier kwam hij bidden, bij het Kruuske". In de winter haalde hij "z’n schaai" in door elke dag de mis te bezoeken.
De boeren van de Hiept en de Beek hadden in de negentiende eeuw veel schapen. Bij de schapen telling van 1844 hadden drie boeren van de Hiept samen 95 schapen (Vergeldt 30, Claessens 30 en van Dijck 35). De Beek had er 167 (Baten 67, Arts 28, Verhoeven 22, Hendriks 10 en Keysers 40). Op de Hiept waren toen twee herders in dienst, bij Vergeldt en bij van Dijck. De schapen van de Beek werden toen gehoed door twee herders, die werkten bij Baten en Verhoeven. Het waren jongens tussen de 10 en 20 jaar, zoals in het algemeen het geval was bij de tientallen herders in Venray. De cijfers tonen aan, dat de schapenhouderij een grote omvang kende en dat er dus ook veel herders nodig waren.
Een elfjarige herdersjongen verdiende rond 1900 vier gulden per jaar. Als hij twaalf jaar was, zes gulden en een leren broek. Als veertienjarige leverde het werk tien gulden op. Verder kreeg hij vijf schapen "voor het voer", dat wil zeggen dat hij die mocht houden en verhandelen. Een schaap bracht toen ongeveer dertien gulden op, een lam acht. Van half maart tot "de roeëzekrans" (de oktobermaand) bleef de herder van huis, de koude tijd van het jaar stonden de schapen in de kooien bij de boerderij.
Zoekend naar de herder van het Schieëperskruus is vast te stellen, dat de gegevens van 1844 te oud zijn. Het katholieke reveil van het Rijke Roomse Leven moest in de jaren daarna zijn groei nog krijgen; de bewuste herder heeft later in de tijd geleefd. Dat hij in de winterperiode dagelijks naar de kerk ging als compensatie, kan niet anders gebeurd zijn dan met een gang naar de Venrayse Grote Kerk. Merselo kende toentertijd geen dagelijkse mis.
Hoewel "de Hiept" daarvoor het dichtste in de buurt is en dus het meest voor de hand ligt, zal vooral op de Beek gezocht moeten worden naar de betreffende herder. De Beekse kooi stond immers bij de Roëmpot. Die herder is niet met zekerheid gevonden; daarvoor waren er teveel kandidaten. Maar wie weet, lopen zijn nakomelingen nog in Merselo rond!

Een gezegende plaats…Het unieke Schieëperskruus is in 2006 aan de hand van oude documenten gereconstrueerd.Stichting de Marke, de Venrayse Stichting Kruisen en Kapellen en de gemeente Venray hebben samen het Schieëperskruus teruggebracht in het landschap. Op Hemelvaartsdag 2006 is het kruis op kerkelijke wijze ingezegend. Een herder met kudde vormde de schakel met vervlogen tijden.
Sporen van de Tweede Wereldoorlog…Bij het opschonen van het terrein bleek, dat er een aantal sporen uit de Tweede Wereldoorlog in de onmiddellijke omgeving van de plek bewaard is gebleven, vooral links van het kruis. Eind september 1944 stokte de opmars van de geallieerden, toen zij vanuit Oploo en St.-Anthonis oprukten naar Venray, bij Overloon.
Op 12 oktober werd er een slag geleverd, die het dorp van de kaart veegde. Honderden Duitse soldaten van het 21e Fallschirmregiment waren in de weken ervoor Merselo binnen getrokken en hadden alle schoppen en spaden gevorderd. Daarmee groeven zij zich in, van Dalland en ’t Roozendaal tot Overloon.
Hun posities kozen ze in de bosranden, ook langs het Zwart Water, en zij hadden inkwartiering bij de boeren in de omgeving. Hun bivak kozen ze op korte afstand achter hun stellingen. Velen van hen waren jonger dan 20 jaar en eigenlijk vliegveldpersoneel, dat na een opleiding van enkele dagen naar zijn eerste gevechtservaring marcheerde.
Op 16 oktober werden de Ballonzuilbossen daardoor met betrekkelijk weinig moeite veroverd door de Achtste Brigade van de Britse Derde Infanteriedivisie, de Suffolks, en Merselo werd bevrijd. Aan beide zijden sneuvelden soldaten, ook vlak bij het Schieëperskruus. Half verdwenen mangaten, grotere kuilen en loopgraven zijn de stille getuigen van een Duits bivak uit die woelige periode. Ook zij horen bij de geschiedenis van de Ballonzuilbossen.
De cache is geplaatst met medewerking & toestemming van:
Gemeente Venray en de Heemkundestichting
't Raokeliezer Mèrsele
 
|