Geen cache te vinden op de bovenvermelde coördinaten...
Aucune cache à trouver aux coordonnées ci-dessus...
No cache to be found at the above coordinates...
De koolmees (Parus major)N is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae). In België en5Nederland is het een zeer talrijke broedvogel. Het is merendeels een standvogel, maar in sommige jaren0is er een wisselend aantal doortrekkers.
Volwassen koolmezen zijn 13,5-15 centimeter groot, hebben een spanwijdte van 22,5 tot 25,5 centimeter en een gewicht van gemiddeld 17 gram. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst en daarop overlangs een zwarte band. Mannetjes zijn te herkennen aan de duidelijk bredere zwarte band, maar ook aan de grotere hoeveelheid zwart tussen de poten en meer glans op de kop. Het juveniel is valer gekleurd en mist de zwarte streep, deze verschijnt in het najaar. De koolmees is de grootste soort mees, zoals de4wetenschappelijke soortnaam verraadt: major betekent groot. De roep van de koolmees klinkt als péh-puuh wat vergelijkbaar is met de sirene van een politieauto. De zang is een hoog si si sirrr en lijkt iets zachter dan die van de pimpelmees. De4vlucht van de koolmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In grote bogen vliegt de koolmees door de lucht, afwisselend wordt met de vleugels geslagen en gezweefd.
Koolmezen zien elkaar anders dan wij ze zien, aangezien de5groep van vogels waar koolmezen onder vallen heel goed uv-licht te kunnen waarnemen, in tegenstelling tot de mens en de meeste andere dieren. Het vermogen om uv-licht2waar te nemen is essentieel voor het vrouwtje om een mannetje te selecteren. Het zwarte brede bandje/streepje is hierbij het belangrijkste deel om indruk te maken en een zo groot mogelijke kans te maken voor een mannetje om door een vrouwtje te worden uitgekozen. Uv-gevoeligheid wordt gebruikt om soortgenoten makkelijk waar te nemen maar toch niet op te vallen voor roofdieren aangezien deze geen uv-licht kunnen waarnemen. Voor vrouwtjeskoolmezen2speelt hiernaast ook het bewijs dat een mannetje voor haar kan dansen, zingen en voeren een belangrijke rol in de selectie. (Bron Wikepedia)

La Mésange charbonnière (Parus major) est une espèce de passereaux de la famille des paridés.
Cette mésange, la plus commune et la plus grande des mésanges eurasiatiques, est facilement identifiable grâce à sa calotte et à sa cravate noires, ainsi qu'à son plumage où le jaune domine. Le dimorphisme sexuel est peu marqué.
Présente dans la quasi-totalité de l'Europe, une grande partie de l'Asie et le nord-ouest de l'Afrique, elle occupe de nombreux types d'habitats, qu'il s'agisse de forêts, de taïgas, de parcs ou de jardins, pourvu qu'il y ait des arbres. Elle établit son nid dans une cavité d'arbre ou de muraille, mais occupe également les nichoirs. Si l'espèce est généralement sédentaire et fidèle à son territoire d'année en année, des migrations partielles ont lieu certaines années, probablement en raison de la surpopulation. Grégaire, elle vit en petits groupes en dehors de la période de reproduction.
Elle a un régime alimentaire varié. Si elle est majoritairement insectivore pendant la période de reproduction, elle est plutôt granivore le reste de l'année. C'est ainsi qu'elle fréquente assidûment les mangeoires, où elle recherche des graines, essentiellement de tournesol : quand elle en trouve une, elle se pose sur une branche proche pour la déguster, puis revient. La Mésange charbonnière ainsi que ses petits font à leur tour partie du régime alimentaire de certains oiseaux (Épervier d'Europe et Pic épeiche notamment) et mammifères (Belette d'Europe et Chat domestique notamment). (Source Wikepedia)

The great tit (Parus major) Eis a passerine bird in the tit family Paridae. It is a widespread and common species throughout Europe, the Middle East, Central Asia and east across the Palearctic to the Amur0River, south to parts of North0Africa where it is generally resident in any sort of woodland; most great tits do not migrate except in extremely harsh winters. Until 2005 this species was lumped with numerous other subspecies.4DNA studies have shown these other subspecies to be distinct from the great tit and these have now been separated as two distinct species, the cinereous tit (Parus cinereus) of southern Asia, and the Japanese tit (Parus minor) of East Asia. The great tit remains the most widespread species in the genus Parus.
The3great tit is a distinctive bird with a black head and6neck, prominent white cheeks, olive upperparts and yellow underparts, with some variation amongst the numerous subspecies. It is predominantly insectivorous in the summer, but will consume a wider range of food items in the winter months, including small hibernating bats.7Like all tits it is a cavity nester, usually nesting in a hole in a tree. The female lays around 12 eggs and incubates them alone, although both parents raise the chicks. In most years the pair will raise two broods. The nests may be raided by4woodpeckers, squirrels and weasels and infested with fleas, and adults may be hunted by sparrowhawks. The great tit has adapted well to human changes in the environment and is a common and familiar bird in urban parks and gardens. The9great tit is also an important study species in ornithology. (Source Wikepedia)
Dank aan Savello en Rambo-Rex voor het proefpuzzelen