De cache bevindt zich in een deel van Medemblik met een rijke historie. Het eerste dat hier opvalt, is de Bonifaciuskerk (1404). In de schaduw van de kerk vind je de Weduwenhuisjes uit de 18e eeuw, het Murray-house (een 17e -eeuws pand) en het weeshuis (bouwjaar 1575). Voel je vrij om hier een beetje rond te wandelen.
Op deze plek, links van het pad naar de kerk, stond ook een Muntgebouw. Nu herinneren slechts de ‘Muntstraat’ en gymzaal ‘De Munt’ hier nog aan. De OKV Medenblick heeft geld ingezameld voor het monument dat ter ere van dit stuk geschiedenis is geplaatst, rechts van het pad.
In de tijd van Floris V, eind 13e eeuw, zijn er al munten teruggevonden met de opdruk “Mone Medemblec”. In 1655 kreeg Medemblik een Munthuis. Bij toerbeurt werden de munten geslagen in Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. Dit leverde niet alleen werkgelegenheid op, maar ook status en handel. Er waren diverse beroepen die allang niet meer bestaan, zoals muntmeesters, stempelsnijders, essayeurs, muntgezellen en waardijnen. Uiteindelijk zijn er 26 miljoen zilveren en gouden munten geslagen in Medemblik.
Er was in die tijd een ander muntstelsel. Alles werd herleid tot een stuiver. Een stuiver was verdeeld in acht duiten. Twee duiten was een oord. Daar komt het spreekwoord “Hij heeft zijn laatste oortje versnoept” vandaan. Dan had je nog een dubbeltje, een schelling, een gulden, een florijn, een daalder en rijksdaalders. Die laatste munt was de ene keer achtenveertig stuivers en de andere keer tweeënvijftig stuivers waard, dat hing af van de zilverkoers. Kleine munten waren circulatiegeld en grote munten spaargeld.