De Legende van Veerle
Oude Wetering, 1883
In het natte hart van Zuid-Holland, waar de mist 's avonds over de velden kruipt als een spook over zijn graf, regeerde een landheer met strenge hand over akkers en weilanden. Zijn naam was Wouterus van Rietwijck, een trotse man, rechtvaardig maar koud, zoals de wind die van de Kagerplassen blies.

Wouterus had één dochter, Lina, een zwijgzaam meisje met blauwe ogen die te veel zagen voor haar leeftijd. Haar enige echte vriend was een bonte melkkoe genaamd Veerle.

Maar Veerle was geen gewone koe. De dorpelingen fluisterden al jaren dat er iets anders aan haar was. Te slim. Te stil. En soms, als de lucht zwaar hing van onweer, kon je haar zien staren naar de horizon, alsof ze iets wist wat mensen niet wisten.

Toen Lina op een vroege ochtend Veerle niet aantrof in de stal, begon de onrust. Het hek was gesloten, het touw niet gebroken. Geen sporen in de modder. Alsof de koe was opgelost in de mist.
Er werd gezocht. Dagenlang. Wekenlang. Wouterus stuurde knechten tot aan Roelofarendsveen. Boten bevoeren de vaarten, mannen met hooivorken kamden het riet af. Maar Veerle bleef weg.
En toen begonnen de verhalen.
Een jongen uit het dorp beweerde Veerle gezien te hebben bij de rand van het Braassemermeer.
Ze had modder op haar flanken en schuim om haar bek, zei hij.
Ze loeide recht naar me toe, maar haar stem zat vol mensenpijn.

Later een veerschipper die zwoer dat hij bij maanlicht een bonte koe op een eilandje had gezien, rechtop staand, roerloos, en toen was ze weg. Zelfs een oude boer uit Kaag verdween spoorloos na te zijn gaan zoeken. Alleen zijn laarzen werden teruggevonden. Ze stonden keurig naast elkaar bij een sloot, alsof hij er zelf was uitgestapt.
Op nachten zonder maan, wanneer de polder stilvalt en de wind nergens vandaan lijkt te komen, hoor je het geloei. Laag, langgerekt, doordrenkt van verdriet. Soms is het dichtbij, vlak achter de dijk. Soms klinkt het van onder het wateroppervlak. En altijd is het te laat om iets te zien, alleen een rimpeling in de sloot, een zachte stank van nat hooi en… iets anders. Iets ouds.

Toen werd het stil.
Niemand sprak er nog hardop over.
Behalve Lina.
Ze ging elke dag het veld in.
Soms urenlang.
Haar blonde haren nat van de mist, haar blauwe ogen rood van het huilen.
Ze bleef zoeken, luisteren.
Ze is daar nog, fluisterde ze tegen haar vader.
Maar iets houdt haar vast.
Wouterus kon haar niet troosten. Hij probeerde het ook niet.
Lina verdween niet, nee.
Ze bleef.
Maar iets in haar brak.
Ze lachte nooit meer als voorheen. Ze keek vaak naar de verte.
Ze hield een klein houten belletje aan een koordje bij zich, Veerle’s stalbel.
Ze droeg het onder haar kleren. Alleen zij mocht het horen.
Tot op de dag van vandaag, zegt men dat wie 's nachts bij Oude Wetering langs de weilanden loopt, haar nog hoort.
Het geloei.
Luid en eenzaam.
Soms weerkaatsend over het water.
Soms vlakbij, achter het riet.
En als je het hoort, moet je níét antwoorden.
Want sommige verhalen willen met rust gelaten worden.
En sommige banden,
tussen meisje en dier,
tussen verdriet en waarheid,
zijn te oud
en te diep
om te begrijpen.
**********************************************************
De cache is moeilijk te bereiken, het is zeker 15 minuten lopen vanaf het startpunt. Fietsen kan ook, maar het pad is erg slecht.
Ook is het erg donker, is er weinig verlichting, dus niet aan te raden in de avond, je hoort er soms geluiden die niet zijn te verklaren.
Het pad begint op de Lisserweg.