|
De
Sage verhaalt...
Het is
wederom een tyd geleden, voorheen zoals dat thans genoemd wordt.
Het was een donkere dag in den vooravond van den winter van een
zekeren jaar in den 13den eeuw.
 |
U
yt het westen niets dan wind, uyt het oosten niets dan
regen.
Den kaarsen
flakkerden in den wind, meer dan gewoonlyk, zo het lykt. Het
houtvuurtje knispert rustig in den grote vertrekken van Kasteel
Cranendonck.
|
Den Baron en
den Freule zitten aan tafel, gedekt, zoals het hoort, te genieten
van een welverdiend maal.
Opeens een
harden bonk, een boodschapper aan den deur.
Heer, Heer! Men
heeft weer toegeslagen!
Den Baron
springt op uyt syn stoel en haast zich naar den
wapenkamer.
Buyten het
kasteel weerklinkt veel rumoer. Het gillen van vrouwen en kinderen,
het geschal van een angstige menigte.
Hy trekt syn
maliënkolder aan en haast zich naar syn mannen.
Daar wacht
reeds een tiental mannen te paard. Den Heer bestygt syn ros en
allen haasten zich naar buyten het kasteel. “Voorwaarts mannen,
voorwaarts, jaagt u als zyt gy den wind,” schalt den
Baron.
Enkelen
honderden meters buyten het kasteel treffen zy den oorzaak van het
rumoer.
Het syn den
‘Zwarte Ruyters’. In den volksmond ‘Den Swarten’.
Een benden
onverlaten, zonder enig berouw of spyt. Die vrouw nog kind spaaren
en alle huyzen onderweg tot aan den grond toe af deden
branden.
Met omtrent
tachtig mannen en krygers stonden zy daar, te paard en gewapend tot
den tand. Het kleyne legioen dat den Baron bezat werd afgeslacht,
op een wyze, voor zelfs een dier nog te barbaars. Onder het
toeziend oog van den Freule, welke vanuyt het torentje het spel
gadesloeg.
Den Heer wist
te ontkomen, met een handjevol mannen, welteverstaan. Op vlucht,
gehaast, achtervolgt door den ‘Swarten’.
Den Heer
besloot met syn resterenden mannen door het Cranendoncksche Bosch
te gaan, zo den Ruyters te misleyden. In den moerassen, die zich
langs deze paden bevinden vonden diverse Ruyters den dood. Met
paard en al gingen zy ten onder.
Den sage
verhaalt dat den getroffen ‘Swarten’, als een straffen van den Heer
Gods, tot in den eeuwigheyd hier zich staanden moesten zien te
houden in de vorm van een bosje iele bomen.
|
Het scheen
alsof een positieve afloop den Heer ten deel viel en Hy leydde syn
mannen weerom richting het kasteel.
By het
kasteel aangekomen verstomden allen die nog in den gelederen van
den Baron waaren. |
 |
Hy sprong van
zynen paard, keek om en zag, zyn ogen vervuld met afschuw, uyt het
raam van den Zuydertoren, het levenloze lichaam van syn vrouw
bungelen, hangend alsof het waren den vuyle was.
Een kreet van
afschuw raasden door het Cranendonckpad, den Baron zakte door syn
knieën. Den aanvoerder der ‘Zwarten’ kwam voor hem staan en zetten
syn zwaard aan den keel van den Baron, een gryns stond op syn
gezicht. Op den achtergrond het furieus vlammenden
kasteel.
“Met onzen
dood vervloekt zyt gy,” zey den Baron met trillenden stem uyt
woede, “ik ontneem u allen uw leven. Ende rust zult gy en uw mannen
nimmer vinden.”
Den Ruyter
lachte en syn mannen grynsden. “Want kunt gy, ouden man, ons nu
beramen? Ik ontneem u het leven en niemand die daar nog iets tegen
doen kan!” zey den Ruyter terwyl syn buyk schudden van
genot.
Den Baron
riep:
“U
en uw mannen, vinden hier niets dan
dood,
Geen
rykdom geen water en geeneens een brood.
Den
eeuwigheyd wacht u vol onrust en angst,
Altyd
maar wachten, dat duurt wel het langst.
Zo
komt een persoon, een ziel zuyver en
puur,
Vervolgt
onzer wegen, door Cranendoncks natuur.
Langs
velden en paden, volgen zy waar u
schreyde
In
myn achtervolging, langs bossen en heyde.
Eenmaal
gekomen by het eynden der jacht,
Dit
is tydens daglicht en nimmer by nacht.
Ontknopen
de raadsels en heeft u dan spyt
Dan
syn u en uw mannen van hun onrust
bevryd!”
 |
Op dat moment
stootte den Swarte Ruyter syn zwaard door en als een doek zakte het
lichaam van den Baron ineen.
Den toch al
zo donkere hemel verkleurde plots ende ineens zwart en om den
Ruyters heen verscheen uyt het niets een dichte
mist. |
Eén voor een
zakten de ‘Swarten’ ineen, hun paarden schopten wild om zich heen
en zetten het op een lopen… |