De Achterhoek (Nedersaksisch: Achterhook) is een streek
in het oosten van Nederland in de provincie Gelderland en beslaat
het gebied tussen de IJssel in het westen, de Oude IJssel in het
zuidwesten, de Duitse grens in het zuiden en oosten en de
Overijsselse streken Salland en Twente in het noorden.
De geologische basis van de Achterhoek werd zo'n tweehonderdduizend
jaar geleden gelegd tijdens de voorlaatste ijstijd. Een enorme
massa landijs bewoog zich toen door het huidige IJsseldal naar het
zuiden tot waar nu Nijmegen ligt. In het oosten schoof het ijs
langzaam via Lochem en Aalten zuidwaarts en daarbij werden enorme
hoeveelheden zand, stenen en klei opgestuwd tot de hoge heuvels van
Montferland, de Lochemse Berg en de Kalenberg. In de gletsjerdalen
bleef na het smelten van het ijs een dikke ondoorlaatbare laag
keileem achter. Gaandeweg werden die laagten verder opgevuld met
erosiemateriaal van hoger gelegen gebieden en bodemmateriaal dat de
rivieren aanvoerden. In de laatste ijstijd was het niet alleen koud
maar ook droog en sterke winden bedekten bijna de hele Achterhoek
met een laag zand. Zo onstond het voor de Achterhoek zo
karakteristieke dekzandlanschap: langgerekte, licht golvende ruggen
en ondiepe laagten, die slecht afwateren omdat de keileem dicht
onder het zand zit. Na de laatste ijstijd werd het klimaat wat
milder en raakten de hogere delen van de Achterhoek begroeid met
bos. In de ondoorlaatbare laagten ontstonden moerassen en
venen.
De vondst van grafheuvels en urnenveldjes levert het bewijs dat er
in de Brons- en IJzertijd al mensen woonden maar pas rond het begin
van onze jaartelling werd de Achterhoek vrij intensief bewoond. Die
eerste Achterhoekers waren landbouwers, die een stuk oerbos kapten
en daarop een akkertje aanlegden. Als de grond was uitgeput, werd
een ander stuk bos gekapt. Later werden tussen opgehoogde wallen
meer permanente akkers aangelegd, de zogenaamde 'celtic fields', en
de sporen daarvan zijn nog op verscheidende plaatsen in de
Achterhoek te vinden.
De Achterhoek heeft tegenwoordig nog bijna twaalfduizend hectare
bos; dat is acht procent van de totale oppervlakte. Het zijn over
het algemeen loofbossen, in alle soorten en maten, soms van een
eerbiedwaardige ouderdom. Veel van die bossen horen bij
landgoederen maar er staan ook nogal wat boomgroepen en houtwallen
langs akkers, weilanden en beken.