Oud Vossemeer "De Roolandpolder"
-
Difficulty:
-
-
Terrain:
-
Size:
 (small)
Please note Use of geocaching.com services is subject to the terms and conditions
in our disclaimer.
De Roolandpolder
De Roolandpolder is gevormd uit de aanwinsten of gorzen, ontstaan
langs de Vosvliet. De polder bevindt zich nog wel op het
grondgebied van de gemeente Tholen maar maakt thans geen deel meer
uit van het waterschap "De Vrije Polders onder Tholen". De
grondgesteldheid toont aan, dat aan de ontginning van de polder
werd begonnen voordat er kon worden gesproken van een "rijp" schor.
Slechts langs de voormalige zeedijken van de westelijke kust der
polders van Poortvliet werden rijp geworden schorren ontgonnen. De
tijd der bedijking van het Rooland is niet precies bekend, maar
aangezien de schorregronden tegen de Bartelmeetpolder zijn
aangewonnen moet het Rooland later dan eerstgenoemde polder zijn
ontstaan, terwijl uit de aandijking van Oud-Vossemeer valt af te
leiden, dat het Rooland weer iets ouder is dan eerstgenoemd gebied.
Zo mag worden verondersteld, dat de indijking tussen de jaren 1325
en 1411 kan hebben plaats gehad In het Grafelijk Commissie- of
Beveelboek * lezen wij: "Op 4 januari 1398 beveling van 't
Schoutambacht van den Nieuwenlande 3 jaer lang op Foyer Jansz,
alsoo groot ende alsoo cleyn alst ons neven van Blois plach te
wesen ende ons van hem aengecomen is". H.J. Scheffer, Grafelijke of
Commissie (Beveelboeken), Deel I, blz. 36. Het betreft hier de
aanwijzing van een schout voor een dijkage, welke bestond, dan wel
in wording was en waarvan, in het laatste geval slechts de grond,
door het overlijden van Guy van Blois in 1397 aan de Grafelijkheid
gekomen was. Bestond de polder dus geheel volmaakt in 1397 zo is de
bedijking alreeds onder Guy van Blois uitgevoerd. Is de polder in
dit jaar echter nog in een phase van zijn ontstaan en is op zijn
best de bedijking zo ongeveer tot stand gekomen terwijl nog tal van
belangrijke zaken hun beslag moeten krijgen, dan is de aanstelling
van een schout gemakkelijk te verklaren. Om de te ontginnen gronden
aan het geweld van de zee te onttrekken diende een dijk van 2800 m
lengte te worden opgeworpen. De dijk ving aan bij de waterkering
van de Bartelmeetpolder en eindigde aan de dijk van
Vijftienhonderdgemeten. De Roolandpolder heeft niet altijd deze
naam gedragen. In 1415, wanneer Graaf Willem VI van Beieren de
tiendrechten van Rooland verkoopt, wordt het door hem als het
Nieuwe- of St. Joosland benoemd. Ook komt de benaming
Roobollepolder voor. De Vosvliet en Mare waarlangs de polder
gelegen was, waren door hun ondiepten verraderlijk als vaarwater.
Ter aanduiding hiervan had men bolbakens geplaatst in het water,
dat hier als Roode of Reede de oude benamingen Vosvliet en Mare
placht te vervangen. In de polderdijk zijn drie doorbraken
ontstaan, waarvan de oudste van voor 1411 dagtekenen moet. Minder
oud is de weel in de noordelijke dijk, veroorzaakt door de vloed
van 26 januari 1682. Overigens is er over het dijkwezen van deze
polder niets bekend. In de eerste tijd van zijn bestaan voerde de
polder het binnenwater af door een zeesluis in de dijk, later de
scheiding vormend tussen het Rooland en de Broek. Buitendijks vond
het water door de schorkreken een uitweg. Overigens had men
aanhoudend met verzanding te doen en door voortdurende toeneming
van aanwas geraakte de zeesluis steeds meer in onbruikbare staat.
Wel ontstond verbetering door de bedijking van de Broekpolder
vanwege de met deze dijkage gemeenschappelijk verkregen suatie,
maar deze verbetering was niet van lange duur, omdat het verloop
der voor de afvloeiing bestemde killen of waterwegen dermate
toenam, dat van een behoorlijke waterlozing geen sprake meer kon
zijn en het polderland welhaast voortdurend onderliep. De zeesluis,
gelegen bij de hofstede "de Crabbe", in 1561 nog vernieuwd, kon
ternauwernood in werking blijven en ondanks de aanleg van kostbare
spuiwerken verbeterde de toestand niet noemenswaard. Tenslotte werd
aan het waterschap Tholen een lozing op zijn polders verzocht, welk
verzoek tot resultaat had dat onder goedkeuring van belanghebbenden
op 28 april 1670 een overeenkomst tot waterlozing tot stand kwam.
Het resultaat van een en ander was echter dermate onbevredigend,
dat in 1683 een suatie op de Hikkepolder werd toegestaan,
vastgelegd in een contract d.d. 19 juni 1684, terwijl een
recognitie van £ 8, 6 st, 8 gr. per jaar diende te worden betaald *
. Maar ook deze oplossing bleek niet afdoende en van blijvende
aard. De meerderheid der ingelanden verlangde tenslotte een
waterlozing op Poortvliet, welke dan in 1699 een feit werd. De
duiker voor de lozing op de Hikkepolder werd opgegraven en
overgebracht naar de Kadijk. A. Hollestelle, Geschied- en
waterkundige beschrijving van de waterschappen en polders in het
eiland Tholen, blz. 535-536. De waterlozing op Poortvliet werd
verkregen door gemetsgewijze bijdragen in de kosten wegens
vernieuwing en verdieping van de Poortvlietse sluis, aangevuld met
een jaarlijkse bijdrage van £ 25 Vlaams. In 1900 kwam een
pompgemaal voor de poldersuatie tot stand en werd voor de
afwatering ook nog een stenen duiker gebouwd. Spoedig bleek het
pompgemaal echter onvoldoende om de waterstand naar genoegen te
regelen. Zo werd in 1903 besloten om, met behoud van het gemaal in
de Broekse dijk, een stenen duiker te bouwen op houten fundering,
voorzien van vleugelmuren en beschoeiingen. Reeds in 1906 werkte
het gemaal niet meer; de afwatering had in hoofdzaak plaats gehad
door de in 1903 gebouwde stenen duiker. De machine van het gemaal
werd verkocht en de dijk in de oorspronkelijke toestand
teruggebracht. Tegen de noordelijke zeedijk van het Rooland is de
Broekpolder gevormd, geworden uit gorzen in en langs de Vosvliet,
op- en aanwassen, welke alle eens deel uitmaakten van de
Vriezendijkse moeren. De bedijking kwam betrekkelijk vroeg tot
stand, wat blijkt uit de ingepolderde grond, welke zich weinig
boven het peil van de winterwaterstand verheft. Wanneer de gronden
van de Broekpolder aan de zee werden onttrokken, is niet precies
vast te stellen en ofschoon de dijkage reeds als het "Nieuweland
dat men heet den Broeck" in 1415 wordt aangeduid, kan de tijd van
zijn ontstaan niet dan bij benadering worden vastgesteld. De
bodemgesteldheid maakt echter aannemelijk dat de polder kort na de
bedijking van Rooland, dus op het einde van de 14de of het begin
van de 15de eeuw moet zijn aangewonnen. In het Grafelijk Commissie-
of Beveelboek * lezen wij op 12 januari 1398 hoe Claes Kervinc van
Reymerswale belast wordt met het rentmeesterschap van alle
goederen, door het overlijden van de Graaf van Blois wederom aan de
Grafelijkheid van Zeeland teruggekomen terwijl dezelfde Claes
Kervinc, blijkens het Grafelijk Beveelboek op 31 januari 1400 door
Hertog Albrecht van Beieren ook wordt benoemd tot Baljuw en belast
met de bedijking van "Nieuwland", voor welk ondernemen hij ook
bevoegde bestuurslieden moest aanstellen. In aanmerking nemend de
alstoen bestaande of in uitvoering zijnde bedijkingen, is onder het
hier aangeduide "Nieuwland" wel niet anders dan de Broekpolder te
verstaan. Men mag dus aannemen, dat de Broekpolder tussen 1400 en
1404 moet zijn bedijkt, omdat op 12 april 1404 Guy de Bastaard van
Blois tot Baljuw van Tolen is aangesteld. De inpoldering had plaats
door het aanleggen va n een dijk langs de Vosvliet en het Maarloo.
De dijk vangt aan bij de watering van Poortvliet en sluit aan op de
dijk van het Rooland. Hij was 3025 m lang. H.J. Scheffer,
Grafelijke Commissie (Beveelboeken), Deel I, blz. 39 en 64. In de
overstromingen van het Rooland heeft de dijkage van de Broekpolder
in ernstige mate gedeeld want sedert het ontstaan van de z.g.
"Catteweel", een gevolg van de vloed van 26 januari 1682, lag het
gebied van de Broekpolder niet meer voldoende van de achtergelegen
Roolandpolder gescheiden. Maar omgekeerd ondervond evenzeer de
Roolandpolder van het Broekland overlast. In het bijzonder de jaren
1671 en 1682, toen beide polders jammerlijk onderliepen dienen te
worden vermeld. Het was voor de Broekpolder van groot belang, dat
de dijkage van de Hikkepolder na de vreselijke stormramp van 26
januari 1682, welke vrijwel het gehele dijkgestel vernietigde, zich
er toe zette met vereende krachten en door het opbrengen van enorme
lasten zijn waterwerken weer in goede staat te brengen. Hierdoor
werd ook voor de Broekpolder de veiligheid zeer bevorderd. In welke
verhouding de dijkages Rooland en Broek tot het waterschap de Vrije
Polders onder Tolen eigenlijk nog stonden is moeilijk te
omschrijven. Het valt aan te nemen dat aanvankelijk, toen het
schependom van Tolen nog een grote macht over het waterschap der
Vrije Polders uitoefende, die van Broek en Rooland in menig opzicht
nauwer met genoemd waterschap verbonden zijn geweest dan later het
geval was. In elke ramp toch, die het waterschap trof droegen beide
polders bij en zelfs werden er voor de oeverwerken van Schakerloo
en Vijftienhonderdgemeten in de dijkages van Broek en het Rooland
dijkgeschoten geheven. Eerst later werden de eigen huishoudelijke
zaken van de twee polders meer en meer buiten het waterschap van de
Vrije polders om geregeld. Van lieverlede nam die onafhankelijke
houding in kracht toe en zonderde men zich dermate van de overige
dijkages af, dat tenslotte alleen in bestuurlijke zaken het
dijkbestuur van de Vrije polders onder Tolen als hoogste autoriteit
werd erkend. Maar tenslotte werd ook deze laatste band verbroken en
kreeg het waterschap Broek- en Rooland een volkomen zelfstandig
bestuur. Wat betreft de hierna volgende inventarisbeschrijving,
valt het op, dat zovele bescheiden, waarvan men de aanwezigheid
redelijkerwijze zou mogen verwachten, ontbreken. Dit is voor alles
het geval met de notulen betreffende de vergaderingen van het
polderbestuur en die van de ingelanden. Deze vangen namelijk eerst
op 1 augustus 1863 aan. Voor die tijd worden zij verspreid
aangetroffen, bij de notulen van het waterschap Poortvliet en dat
van Oud-Vossemeer. Bovendien worden buiten de hier vermelde notulen
in de beide genoemde polderarchieven nog wel andere archivalia
aangetroffen, waarin aangelegenheden aan de orde zijn, waarmede ook
de Broek- en Roolandpolders te maken hebben * . C. Hollestelle,
Beknopt overzicht van de lotgevallen der polders "Broek en Rooland"
van hun ontstaan tot heden; H.S., 1934. Literatuur: Archief
vroegere en latere mededelingen van het Zeeuwsch Genootschap, Deel
IV, Tweede stuk, blz. 351-356. Uitg. 1879: A. Hollestelle, Rooland-
en Broekpolder; A. Hollestelle, Geschied- en waterstaatkundige
beschrijving van de waterschappen en polders in het eiland Tholen;
uitg. 1919. Blz. 530-542: VIII, Broek- en Roolandpolder
Additional Hints
(Decrypt)
Npugre obbz