Skip to content

De wraak van De Raaf Mystery Cache

This cache has been archived.

Cocquyt Ides: Vandaag opnieuw enkele cachen gearchiveerd, waaronder deze.
Bedankt aan alle bezoekers !!

More
Hidden : 10/9/2013
Difficulty:
4.5 out of 5
Terrain:
1.5 out of 5

Size: Size:   small (small)

Join now to view geocache location details. It's free!

Watch

How Geocaching Works

Please note Use of geocaching.com services is subject to the terms and conditions in our disclaimer.

Geocache Description:


 

Op bovenstaande coördinaten hoef je niks te zoeken.

 

Hierna vind je het begin van het boek “De wraak van De Raaf”, een kindergriezelboek uit het jaar 1994., lees dit aandachtig !!

 

Ik zal nooit de eerste keer vergeten dat ik de man uit mijn nachtmerries zag. Het was een vrijdag in augustus toen mijn vriend Frank Rietveld tegen me zei: “Laten we naar de Bosvijver gaan.”

“Waarom?”, vroeg ik verbaasd. We waren al in geen maanden meer bij de vijver geweest, niet sinds ze het nieuwe Ontspanningscentrum hadden gebouwd en we het grootste deel van onze vrije tijd in het zwembad doorbrachten. Voor die tijd gingen we nogal vaak naar de vijver, om planten en insecten voor de biologieles te verzamelen, zodat mevrouw Van Veen ons extra punten zou geven.

“Om naar vogels te kijken”, zei Frank.

Ik staarde hem aan. “Sinds wanneer ben jij in vogels geïnteresseerd?”

Hij haalde zijn schouders op. “Sinds vandaag.”

Dat is nu typisch Frank. Hij krijgt de ene dag een bevlieging, zoals zwemmen bijvoorbeeld, en dan heeft hij er de volgende dag plotseling geen zin meer in, zonder dat daar eigenlijk een reden voor is. Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik dat zwemmen zelf ook een beetje saai begon te vinden. Dat nieuwe zwembad is geweldig, maar zodra je er een paar keer heen en weer hebt gezwommen, is er verder niet veel dat je kunt doen. Zo mag je er bijvoorbeeld niet duiken.

Dus zei ik: “O.K., dan gaan we naar vogels kijken.”

De Bosvijver is eigenlijk het enige stukje natuurgebied bij ons in Nieuwenvelde. Het ligt achter een stuk braakliggend land aan de rand van het dorp, vlak naast een klein bos.

Toen we langs de oever liepen, zagen we een paar waterhoentjes spartelen, en een hele eendenfamilie, maar verder ontdekten we jammer genoeg niets bijzonders, zoals een reiger of een ijsvogel, bijvoorbeeld.

“Wat we nodig hebben is een uitkijkpost.” Frank wees naar een plek waar een omgevallen boomstam een soort bruggetje over een hoek van de vijver had gemaakt. “Wat denk je daarvan?”

Ik kroop voorzichtig over de boomstam, tot ik in het water kon kijken. “Bah!”, zei ik. “Ik was vergeten hoe vies het hier is. Het is me een raadsel hoe hier iets kan leven.”

“Vervuiling.” Frank stond vlak achter me. “De mensen gooien hun rommel er gewoon in, oude bedden, fietsen en ga zo maar door. Ik denk dat het water vol roest zit.” Hij trok zijn sportschoenen en sokken uit en stak zijn voeten in het water.

“Als het zo vervuild is, zou ik er niet in gaan pootje baden”, zei ik.

Hij grijnsde. “Mijn voeten zijn al aardig verroest, vind je niet?”

Franks ouders komen uit de Antillen. Hij is langer dan ik en heeft lange, dunne armen en benen. Daarom is hij waarschijnlijk zo goed in sport. Hij bezit het schoolrecord op de horden en de 220 meter. Normaal draagt hij een bril, maar hij zet hem af als hij moet hardlopen, omdat de glazen dan beslaan.

Hij en ik zijn nu al vijf jaar vrienden, sinds de kleuterschool. We denken hetzelfde over de meeste dingen.

“Weet je nog dat we een keer een paling hebben gevangen?”, vroeg ik trots.

“Hou je kop nou”, zei Frank. “We zien niets als we steeds kletsen.”

Ik hield mijn kop. De volgende minuten was de enige vogel die langs kwam een doodnormale spreeuw, waarvan je er op elk moment van de dag tientallen in onze tuin kunt zien.

“Ik vind palingen fantastisch”, vervolgde ik. “Wist je dat ze helemaal vanuit de Caraïbische Zee hier naartoe zwemmen?”

“Alex, ik zei ‘HOU JE KOP!’”

Er gingen een paar minuten voorbij. Een vinkje ging op een tak vlak boven mijn hoofd zitten en keek me met een schuin kopje aan. Wie keek er nu naar wie, vroeg ik me af. Frank merkte het niet eens op.

“Ik heb er eens een nachtmerrie over gehad”, zei ik droogjes.

“Wat?”

“Over palingen, ik droomde dat ik in de vijver viel en dat ze zich om mijn been heen wikkelden. Het was doodeng.”

Frank haalde zijn voeten uit het water. Hij leunde met zijn kin op zijn opgetrokken knieën en zei: “De engste nachtmerrie die ik ooit heb gehad was dat er me op het schoolplein een gigantische brontosaurus achterna zat. Maar net toen hij mij met zijn allesverslindende kaken wilde grijpen, werd ik wakker.”

Ik bedacht een nog sterker verhaal. “Ik heb ooit gedroomd dat ik samen met het monster van Frankenstein in een kamer zat opgesloten.”

“O ja?”, vroeg Frank. “En wat dacht je dan van die keer dat ik gevangen zat in een ruimteschip, dat miljoenen lichtjaren van de aarde pech kreeg?”

Ik lachte.

Frank begon zijn sokken weer aan te trekken. Na een minuut zei hij: “Zulke dingen zijn niet echt eng, hè? Het zijn dingen die eigenlijk helemaal niet kunnen. Over dingen waarvoor mensen echt bang zijn durven ze niet eens praten.”

Hij klonk echt serieus.

“Ik dacht niet dat jij ergens bang voor was, Frank?”

“Nou, je zou verbaasd opkijken.”

“Vertel op, dan. Waarvoor ben jij bang?”

“Beloof je dat je het tegen niemand zult zeggen?”

“Natuurlijk zeg ik niets. Wat denk je wel dat ik ben?”

“O.K. Het zit namelijk zo, ik ben doodsbang voor vuur.” Hij stopte met het aantrekken van zijn sok en staarde in het water. “We hebben eens brand gehad toen ik nog een baby was. We woonden op de eerste verdieping, en iemand op de begane grond had een lucifer in een papiermand gegooid. De trap begon te branden en we moesten gered worden via de bovenste verdieping. Ik was natuurlijk nog te jong om me te realiseren wat er gebeurde; ik weet alleen wat mijn moeder me sindsdien heeft verteld. Maar volgens mij moet een deel van mij het zich herinneren, want anders zou ik er niet steeds over dromen.” Hij gebruikte zijn sok om zijn bril mee schoon te vegen, en trok hem vervolgens aan. “En jij, Alex?”

“Ik kan het je niet vertellen”, zei ik.

“Ach, kom op! Ik heb het jou ook verteld. Nu is het jouw beurt.”

“Ik bedoel niet dat ik het je niet wil vertellen, het is gewoon dat ik niet precies weet wat het is. Soms word ik midden in de nacht wakker, badend in het zweet, alsof iemand of iets me achterna heeft gezeten, maar ik kan me nooit herinneren wat het is. Iets donkers… en groots… en het maakt een flappend geluid.” Alleen al het praten erover gaf me het koude angstzweet. Ik veegde mijn handen aan mijn spijkerbroek af.

Frank keek me nieuwsgierig aan. “Dus je weet niet hoe het eruit ziet?”

Ik schudde mijn hoofd. Om eerlijk te zijn, ik had altijd het gevoel gehad dat mijn nachtmerrie met mijn vader te maken had. Of, beter gezegd, met mijn vaders beroep. Hij is namelijk rechercheur bij de plaatselijke politie. Hij krijgt soms de gevaarlijkste opdrachten, maar hij toont nooit het geringste spoortje van angst. Hij gaat er gewoon op af en doet wat hij moet doen. Wat mij dwars zat, was dat ik er helemaal niet zeker van was dat ik net als hij zou reageren als ik onder druk zou staan. Het leek mij dat er een goede kans was dat ik totaal in paniek zou raken en mezelf als een lafaard zou gedragen.

Dus zou je kunnen zeggen dat ik bang was om bang te zijn. Waar ik het allerbangst voor was, en wat steeds weer in mijn dromen terugkeerde, was de angst zelf.

Ik wilde dit net tegen Frank zeggen, toen mijn oog plotseling viel op een beweging aan de andere kant van de vijver. Ik keek op en zag een man aan de rand van het bos staan.

Hij stond in de schaduw, maar, voor zover ik kon zien, was hij van een gemiddelde lengte en droeg hij een donker pak.

Hij zag eruit als iemand die naar een begrafenis moest. Ik kon zijn gezicht niet zien, want dat leek verborgen te zijn door iets zwarts, misschien een donkerder schaduw, maar ik wist dat hij naar ons keek.

Er was iets heel vreemds aan hem, iets onwerkelijks, en om een reden die ik niet kon verklaren leek het me dat hij daar alleen was omwille van het gesprek dat we net hadden gevoerd, alsof we hem uit onze eigen verbeelding hadden opgeroepen.

Of misschien was ik de enige die hem uit mijn verbeelding had opgeroepen.

“Frank,” zei ik, “daar staat iemand naar ons te kijken.”

“Waar?”

“Daar, bij de bomen.”

Hij draaide zijn hoofd om. “Ik zie helemaal niemand staan.”

Ik ook niet. De man was plotseling verdwenen.

“Je probeert me bang te maken.” Frank strikte zijn laatste schoenveter vast en stond op. “Ik heb er voor vandaag genoeg van. Het heeft geen zin om naar vogels te kijken zonder een verrekijker. De volgende keer leen ik die van mijn vader. Ben je klaar?”

Ik sprong meteen op en volgde hem langs de boom naar het pad. Ik wilde zo snel mogelijk van die plek weg.

En dat was de eerste keer dat ik hem zag, de man uit mijn nachtmerries. Maar het was niet de laatste keer.

Mijn vader kwam die avond laat thuis van zijn werk.

Dat was niets ongewoons, en er was ook niets vreemds aan de manier waarop mijn moeder de ovendeur openknalde toen ze het bord met gebakken aardappelen en kip eruit haalde, die ze voor hem had warm gehouden. “Ik ben bang dat het helemaal verpieterd is”, zei ze, en ze zette het bord met een klap op de keukentafel. “Maar goed, wat kun je ook verwachten als je op een dergelijk uur thuis komt?”

Ze had altijd een slecht humeur als hij laat was, maar ik wist, en volgens mij wist hij het ook, dat dat alleen kwam omdat ze zich zorgen over hem maakte. Ze was zelf in ieder geval ook nogal moe, na een dienst van vijf uur als receptioniste in het Medische Centrum. Ik wachtte tot ze zich had omgedraaid, en zei toen: “Pap…”

“Mmmm?”

“Ben jij wel eens bang geweest? Echt bang, bedoel ik, niet alleen maar een beetje nerveus.”

Hij dacht even na. “Nee”, zei hij langzaam. “Ik geloof het niet, afgezien van één keer misschien.”

“Wanneer was dat dan?” vroeg ik.

“O, een hele tijd geleden. Tien jaar, vlak voor jij werd geboren, Alex. Je moeder weet wel waar ik het over heb.”

Mijn moeder knikte. “De Raaf.”

“Dat klopt.” Hij sneed een stukje uitgedroogde kip af en stak het in zijn mond.

Ik snapte er niets van en vroeg: “Was je bang van een vogel?”

“Nee, geen vogel.” Mijn moeder antwoordde voor hem, omdat zijn mond vol was. “De Raaf was een man, de grootste boef die er ooit in Nieuwenvelde rondliep. Je vader was nog maar een gewone brigadier van de politie in die dagen en hij had nog niet de ervaring die hij nu heeft. Hij liep in de val door De Raaf een leeg huis in te volgen.”

“Ja, maar ik heb hem wel gepakt.” Mijn vader slikte het stukje kip door en pakte een glas water. “Ik was degene die hem voor tien jaar liet wegstoppen.”

“Ja, en hij stopte jou ook weg”, zei mijn moeder.

“Zes maanden plat op je rug in het ziekenhuis.”

“Hoe dan?”, vroeg ik.

Mijn vader keek grimmig. “We kwamen op een vensterbank terecht, hij en ik. Ik zei hem dat ik wist dat hij de meeste inbraken in de buurt pleegde en hij lachte me in mijn gezicht uit. Hij zei dat niemand me zou geloven. Hij was nogal rijk, zie je, en geen gewone crimineel. Hij zat zelfs in de gemeenteraad van Nieuwenvelde. Maar ik wist dat hij het was en ik zei hem dat ik het bewijs had. Dat was het moment waarop hij stopte met lachen en mij het raam uit duwde.

Ik viel ongeveer zes meter naar beneden en beschadigde mijn ruggengraat.”

“Was dat het moment waarop je bang was?”, vroeg ik hem.

“Nee, dat was vlak voor hij me duwde, toen hij zwoer dat hij het me op een dag betaald zou zetten. Ik heb nog nooit, in al die jaren dat ik bij de politie ben, zoveel dreiging in iemands stem gehoord. Ik durf je gerust te vertellen dat mijn bloed er ijskoud van werd. Ik denk dat hij er op die manier in slaagde om me van mijn stuk te brengen.”

“Is hij ontsnapt?”

“Nee. Tegen die tijd stond er beneden een ontvangstcomité op hem te wachten. En door de bewijzen die ik had, kwam hij in de gevangenis terecht.”

“En je getuigenis gaf je,” hielp mijn moeder hem herinneren, “vanuit je ziekenhuisbed.”

“Inderdaad.” Mijn vader grijnsde. “Maar goed, zijn dreigementen bleken loos te zijn, want hij heeft het me nooit betaald kunnen zetten. En dat zal hij ook nooit meer kunnen doen.”

“Waarom niet?”, vroeg ik.

“Omdat ik vandaag hoorde dat hij dood is. Hij is vorige week in de gevangenis overleden. Aan een hartaanval.” Mijn vader keek bedachtzaam. “Vreemd genoeg voel ik me nogal treurig. Ergens had ik toch een soort bewondering voor De Raaf. Hij was de slimste boef met wie ik ooit te maken heb gehad.”

“Nou, het klinkt misschien harteloos, maar het spijt mij helemaal niet dat hij dood is”, zei mijn moeder.

“In ieder geval kan het Laatste Huis nu verkocht worden.”

“Het Laatste Huis?” herhaalde ik. “Is dat waar De Raaf woonde?”

Ze knikte. “Hij weigerde het te verkopen. Daarom is het steeds bouwvalliger geworden in de tijd dat hij in de gevangenis zat. Misschien is er nu iemand te vinden die het op wil knappen en er weer een leefbaar huis van maakt.”

Ik kende het Laatste Huis wel. Het stond in een grote, verwaarloosde tuin aan het eind van het Waterlaantje, vlakbij de Bosvijver. En daarom moest ik opeens weer aan die man uit mijn nachtmerries denken…

“Pap!” Mijn zusje Marjolein stormde de keuken binnen, met haar dikke, felrode ochtendjasje aan. “Mama is zo gemeen, ik mocht van haar niet opblijven tot je thuis kwam. Maar ik hoorde je stem. Wil je die gebakken aardappelen niet?” Zonder op antwoord te wachten, begon ze de restjes van mijn vaders avondmaal met haar vingers op te eten.

“Je bent net een vuilnisvat”, zei ik tegen haar en zette alle gedachten aan de man uit mijn nachtmerries van me af. “Geen wonder dat je zo dik bent.”

“Vindt je dat ? Ik ben echt niet dik”, protesteerde ze. Dat was tot op zekere hoogte waar, maar ze is nogal vierkant en draagt een rechte pony, zodat haar gezicht ook nogal vierkant lijkt. Marjolein is een paar jaar jonger dan ik en heel erg nieuwsgierig. “Waar hadden jullie het over?” vroeg ze luchtig.

“O, niets wat jou interesseert”, zei mijn moeder, en wierp mijn vader een waarschuwende blik toe. Ik weet niet waarom ze nooit wilde dat hij in Marjoleins bijzijn over misdaad praatte, want Marjolein is gek op misdaadverhalen, hoe erger, hoe beter. Ze wil ook bij de politie als ze groot is. Mijn moeder voegde eraan toe: “En trouwens, je hoort al lang en breed in bed te liggen.”

“O.K., O.K.” Marjolein veegde haar vette vingers aan haar ochtendjas af. “Pap, breng je me naar bed en lees je me een verhaaltje voor? Iets heel engs, uit mijn boek met Griezelverhalen?”

Mijn vader glimlachte en stond op. “Kom op, dan.”

Hij liet zich door Marjolein de kamer uit trekken.

Toen ze weg waren, vroeg ik: “Mam, hoe zag De Raaf eruit?”

“Ik zou het beslist niet weten, Alex. Ik heb hem nooit gezien.

Ze antwoordde te snel, vond ik, vooral omdat zijn foto in die tijd waarschijnlijk in de krant had gestaan. Dus probeerde ik iets anders. “Wat was zijn echte naam?”

“Arthur Hendrik Snijders”, zei ze meteen.

“Waarom noemden ze hem De Raaf?”

“Naar het schijnt was hij zeer geïnteresseerd in vogels.” Ze huiverde. “Hij was een afschuwelijke man. Ik krijg er nachtmerries van door alleen al aan hem te denken.”

Ik zei niets. In gedachten zag ik de Bosvijver voor me en de man die onder de bomen stond… Kon het de geest van De Raaf geweest zijn, die ik had gezien, en die terug was gekomen om een oude rekening te vereffenen?

Maar als dat zo was, waarom kwam hij dan naar mij toe en niet naar mijn vader?

Mijn moeder veegde haar handen aan een handdoek af en ging tegenover mij aan tafel zitten. Ze keek me aan en zei: “Alex, waarom vroeg jij je vader of hij ooit wel eens bang was geweest?”

Ik haalde mijn schouders op. “Ik vroeg het me gewoon af.”

Ze wierp me een lange, ernstige blik toe. “Ik denk dat jij en ik met hetzelfde probleem worstelen. Alleen mensen met een rijke fantasie kunnen bang zijn, omdat ze de gevaren kunnen zien die op komst zijn.”

“Maar dat is toch juist goed?”, zei ik. “Als we die gevaren niet zouden zien, zouden we misschien in de problemen komen.”

“Ja, natuurlijk. Maar het zou het beste zijn als we de juiste hoeveelheid fantasie hadden, niet te veel zoals jij en ik, maar ook niet te weinig, zoals je vader en Marjolein.

Ik grijnsde, maar ik wist wat ze bedoelde. Mijn moeder en ik leken erg op elkaar; we hadden allebei donkere ogen, waren mager en nogal snel humeurig. Mijn vader en Marjolein, daarentegen, hadden zandkleurig haar, waren stevig gebouwd en altijd vrij opgewekt.

“Volgens mij heeft Frank de juiste hoeveelheid fantasie “, voegde ik eraan toe. “Hij is helemaal niet zo zenuwachtig voor een rekentest als ik meestal ben.

Ik vertelde haar niets over zijn angst voor vuur, want dan zou ik zijn geheim verraden hebben.

Mijn moeder glimlachte vrolijk naar me. “Nou ja, gelukkig hoeven we ons geen zorgen meer te maken om De Raaf. Hij is voorgoed uit ons leven verdwenen.

Twee dagen later hoorden we dat De Raaf kort voor zijn dood een testament had gemaakt, waarin hij het Laatste Huis, met alles wat erbij hoorde, aan mijn vader had nagelaten.

 

Zo, als je wil weten hoe dit boek afloopt dan moet je misschien even tot in de bibliotheek.

Maar om de cache te vinden heb je het boek zeker niet nodig !!!

 

 

Als je de tekst aandachtig hebt gelezen dan geef je hieronder in Certitude je antwoord in van wat er wordt gezocht (2 woorden !!!).

Als je het goed hebt gelezen dan weet je zeker welke 2 woorden worden gezocht, er is maar 1 mogelijkheid, veel succes !!

Indien je antwoord correct is, krijg je de coördinaten van de cache.


U kan uw oplossing valideren met certitude.

Additional Hints (No hints available.)