"Barakken Meulenberg "
Om de toevloed van vreemde arbeiders voor de steenkoolmijn op te vangen werden in 1947 een 220-tal noodwoningen gebouwd, verspreid over negen straatjes. De straten hadden geen naam maar enkel een nummer. De noodwoningen waren voorbehouden voor Italiaanse, Poolse en Oekraïense migrantengezinnen. Daarbovenop werden voor alleenstaande vreemdelingen tien ruime maar ruw afgewerkte barakken voorzien, die elk 80 mannen konden huisvesten.
Na de Italianen trokken ook Spanjaarden in de barakken en later ook Turken, Grieken en Marokkanen.
Het houten dorp werd aangelegd aan de rand van de mijncité op de grens met Kwalaak. Het lag daar totaal geïsoleerd van de rest van de woningen en vormde een wijk op zich.
De barakken hadden twee of drie slaapkamers en een leefruimte met keuken waar een klein fornuis stond. De wc was tegen de achtergevel gebouwd. Achter elke barak stond een houten hok voor steenkolen en brandhout. Tijdens de wintermaanden stonden alle binnendeuren open om de warmte van de Leuvense stoof, die in de woonkamer stond, in alle kamers toe te laten.
Geregeld kregen de gezinnen een maatschappelijk werkster van de koolmijn over de vloer. Haar opdracht was om de leefomstandigheden van de migrantengezinnen nauwlettend op te volgen.
Na een kwarteeuw van bewoning waren de barakken totaal uitgeleefd en vervallen. De schrijnende leefomstandigheden die daaruit voortvloeiden werden meermaals in de pers aangeklaagd.
In 1971 werden de barakken door de burgemeester officieel onbewoonbaar verklaard en in de jaren 1972 en 1973 werden ze met de grond gelijk gemaakt en vervangen door twee grote appartementsblokken.
Ondertussen zijn ook deze appartementsblokken afgebroken om plaats te maken voor sociale eengezinswoningen.
