Er was eens een eikel. Een trotse eikel, bungelend aan een eik. “Ik word ooit een machtige boom!” riep hij tegen de wind. “Of een snack voor een eekhoorn,” gniffelde de wind.
Maar toen viel de eikel – plof! – recht op het hoofd van een wandelaar. “Au! Wat een eikel!” riep de man boos. De eikel begreep er niets van. Sinds wanneer was híj een belediging?
Even later kwam een kind langs dat riep: “Kijk mama, een eikel!” De eikel glimlachte trots. “Eindelijk iemand die me herkent!” Maar dan hoorde hij op het schoolplein iemand roepen: “Doe niet zo’n eikel!” Weer die rare toon.
’s Avonds werd hij door een eekhoorn meegenomen. “Je bent precies wat ik zocht,” zei de eekhoorn blij. De eikel zuchtte. “Eindelijk iemand die me waardeert zoals ik ben.”
En zo leerde de eikel dat zijn naam van alles kon betekenen:
🌰 een zaadje vol leven,
😠 een scheldwoord voor een domkop,
en 🧢 zelfs een deel van het menselijk lichaam waar men liever niet over praat bij het avondeten.
Best veel voor één klein nootje, eigenlijk.